Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
05-7012 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bijzondere bijstand voor kosten van orthopedische schoenverhoging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7012 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 november 2005, 04/3107 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Schmidt, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schmidt. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Poldermans, werkzaam bij de gemeente Rijswijk.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 19 augustus 2003 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van een orthopedische schoenverhoging van 2 centimeter ten bedrage van € 72,50. Bij brief van 22 oktober 2003 heeft FBTO Zorg appellant medegedeeld dat de schoenverhoging niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat volgens de Uniforme regeling hulpmiddelen Zorgverzekeraars Nederland (hierna: de Regeling) een hakverhoging van 3 centimeter en meer voor vergoeding in aanmerking komt.

Bij besluit van 19 november 2003 heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen.

Bij besluit van 11 juni 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2003 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat sprake is van een aan de Abw voorliggende voorziening, in welk kader de onderhavige kosten als niet noodzakelijk zijn aangemerkt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 juni 2004 vernietigd, de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten en beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag mist, nu in het onderhavige geval dient te worden beslist met toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB).

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Voorts heeft ingevolge artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB die wet geen functie indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening het gevraagde in een bepaalde situatie niet noodzakelijk is geacht dient de toepassing van de WWB zich daarbij aan te sluiten.

Appellant ontving ten tijde hier in geding een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en was uit dien hoofde voor ziektekosten verzekerd bij een particuliere verzekeraar. Deze verzekeraar hanteerde voor de kosten als hier aan de orde de Regeling, welke gelijkluidend is aan de op de Ziekenfondswet gebaseerde Regeling Hulpmiddelen 1996. Nu de Ziekenfondswet en de Regeling Hulpmiddelen 1996 - naar vaste rechtspraak - voor de hier aan de orde zijnde kosten zijn aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening is dit laatste ook het geval voor de in dit geval van toepassing zijnde regeling.

De Raad stelt vervolgens vast dat de kosten van de orthopedische schoenverhoging van 2 centimeter niet worden vergoed op basis van de Regeling. De Regeling stelt als regel dat orthopedische voorzieningen aan confectieschoeisel, waarbij een verhoging van minder dan 3 centimeter wordt toegepast, niet in aanmerking komen voor een vergoeding. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat hiermee een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van orthopedische schoenverhogingen, zodat inkomensaanvulling op grond van de WWB niet aan de orde is.

Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. De verklaringen van de behandelend orthopedisch chirurg H. Henkus van

15 december 2003, 29 juli 2004 en 31 maart 2006 bieden de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat in het geval van appellant sprake is geweest van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.

De Raad overweegt dat de omstandigheid dat de gemeente ’s-Gravenhage appellant wel bijzondere bijstand in de kosten van orthopedische schoenverhoging heeft verleend niet betekent dat het College gehouden was om zulks in het onderhavige geval ook te doen. Wat er zij van de grondslag van die toekenning, het gaat daarbij immers om een ander bestuursorgaan dan het College. Voorts overweegt de Raad dat het besluit van het College van 24 november 2004 om bijzondere bijstand voor vergelijkbare kosten te verlenen een eenmalige fout betreft. Dit kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat het College op grond van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel gehouden zou zijn om ook in het thans voorliggende geval opnieuw een foutieve beslissing te nemen.

Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Het College heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van voornoemde schoenverhoging dan ook terecht afgewezen.

Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.