Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5414

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
04-3305 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO-uitkering. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden fucties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3305 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 6 mei 2004, 03/590 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens een vraag van de Raad beantwoord.

Bij schrijven van 15 mei 2006 heeft de Raad informatie aan appellant verstrekt.

Het Uwv heeft desverzocht ontbrekende stukken ingezonden en heeft een nadere vraag van de Raad beantwoord.

Bij brief van 8 november 2006 heeft het Uwv nadere stukken ingezonden.

Bij faxberichten van 9 november en 10 november 2006 is namens appellant naar aanleiding van deze inzending van nadere stukken een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellant is in persoon noch - met kennisgeving - bij gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe.

II. OVERWEGINGEN

Alvorens de Raad toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige geschil, overweegt de Raad, mede onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, in de eerste plaats als volgt. Zoals aangegeven in rubriek I, heeft het Uwv bij brief van 8 november 2006 nadere stukken in het geding gebracht. De zitting is gehouden op 10 november 2006, zodat, gelijk door het Uwv zelf reeds expliciet in zijn brief van 8 november 2006 is onderkend, het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend, niet in acht is genomen. Appellants raadsman heeft bij faxbericht van 10 november 2006 laten weten dat hij zich verzet tegen het inbrengen van deze nadere stukken. Gelet hierop en mede in aanmerking nemende dat appellant niet ter zitting is verschenen, zal de Raad de nadere stukken buiten beschouwing laten.

Namens appellant is ook verzocht - de Raad begrijpt: voor het geval de nadere stukken wel als gedingstukken zouden worden toegelaten en met het oog op het formuleren van een inhoudelijke reactie daarop - de zitting uit te stellen. In het licht van het bovenstaande heeft de Raad daartoe onvoldoende aanleiding aanwezig geacht, waarbij de Raad nog opmerkt dat, naar uit het volgende zal blijken, de reeds beschikbare stukken een toereikende basis bieden om in dit geding tot een eindoordeel te komen.

Ten materiële overweegt de Raad als volgt.

Appellant is op 2 oktober 2000 wegens been- en rugklachten, welke blijkens de beschikbare medische gegevens blijken te berusten op chronische osteomyelitis, uitgevallen voor zijn werkzaamheden als uitbener.

Bij een door het Uwv op 4 april 2002 ontvangen formulier “aanvraag WAO-uitkering” heeft appellant verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van

10 april 2002 heeft het Uwv vervolgens met ingang van 1 april 2002 voorschotten op een WAO-uitkering aan appellant verleend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 23 oktober 2002 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 1 oktober 2001, in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Bij besluit van 16 juni 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 23 oktober 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fases van de procedure reeds naar voren gebrachte grieven in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat appellant van mening is dat zijn beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv niet juist zijn gewaardeerd. In het bijzonder doen naar het oordeel van appellant de op de aspecten staan en lopen en kniebelasting aangenomen beperkingen geen recht aan zijn fysieke gesteldheid. Dit brengt volgens appellant mee dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies niet geschikt zijn, omdat daarin veel dient te worden gelopen. Voorts wordt door appellant volgehouden dat, nu een half jaar lang voorschotten zijn verstrekt en het primaire besluit laat tot stand is gekomen, aan hem - vanaf datum einde wachttijd 1 oktober 2001 tot 1 oktober 2002, de datum tot welke aan hem voorschotten zijn verleend - een volledige uitkering had dienen te worden verstrekt, waarna die uitkering, zo begrijpt de Raad deze opvatting, niet zonder uitlooptermijn had kunnen worden beëindigd.

De Raad ziet deze grieven in navolging van de rechtbank niet slagen.

Wat betreft de bezwaren van appellant tegen de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat, naar ook door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is vermeld, de bezwaarverzekeringsarts na kennisname van de door de behandelend orthopedisch chirurg W.S.W. Verboom verstrekte informatie, het door de primaire verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon heeft aangescherpt en daarbij aanvullende beperkingen van toepassing heeft geacht op de aspecten lang staan, knielen, kruipen, hurken en situaties die een verhoogd risico op huidletsel opleveren. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat met het aldus aangescherpte belastbaarheidspatroon nog onvoldoende recht is gedaan aan de beperkingen van appellant.

Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld, althans niet zijn onderschat, heeft de Raad voorts onvoldoende grond om ervan uit te gaan dat de functies zoals deze uiteindelijk dienen als grondslag voor de onderhavige schatting niet haalbaar zouden zijn voor appellant. De Raad heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat, naar ook door de bezwaararbeidsdeskundige is opgemerkt in diens rapport van 23 juni 2005, de functies zijn te kenmerken als van overwegend zittende aard. Mede gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

16 juni 2003 en het formulier “overleg VA-AD - afwijkende functiebelasting” van 18 juni 2003, staat voor de Raad genoegzaam vast dat de belasting van de functies binnen de mogelijkheden van appellant blijft.

De Raad kan zich voorts vinden in de overweging van de rechtbank dat de gestelde lange duur van de totstandkoming van het besluit op de WAO-aanvraag van appellant geen recht op uitkering met zich mee brengt. Overigens lijkt appellant met zijn grieven en de daarop gebaseerde vordering uit het oog te zijn verloren dat hij zelf pas in een laat stadium, namelijk op 4 april 2002, is overgegaan tot het doen van een WAO-aanvraag ter zake van een reeds op 2 oktober 2000 ingetreden arbeidsongeschiktheid.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.