Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
04-6308 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geschiktheid voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6308 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 5 oktober 2004, 03/1333 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G. Tellinga, werkzaam bij het Uwv.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1954, is werkzaam geweest in de horeca. Nadat hij in mei 1999 was uitgevallen wegens psychische klachten, is hem met ingang van 10 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Laatstelijk ontving appellant een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Nadat appellant door de verzekeringsarts H. de Vries was onderzocht, heeft deze op 20 november 2002 rapport uitgebracht. Daarin is hij tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van liesklachten, alsmede vanwege zijn nek-, schouder-, knie en rugklachten, beperkingen heeft. Daarnaast heeft hij nog beperkingen aangenomen als gevolg van migraine, borstklachten en een huidafwijking. Met inachtneming van deze beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige S.G. van Veen op 7 januari 2003 rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor eigen werk maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 35-45%. In overeenstemming met dit rapport heeft gedaagde appellant bij besluit van 12 februari 2003 meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 11 april 2003 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

In bezwaar spreekt appellant zijn verbazing uit over het feit dat hij kortgeleden nog volledig arbeidsongeschikt werd geacht, terwijl hij thans weer deels arbeidsgeschikt wordt geacht. Zijn beperkingen zijn eerder toegenomen dan afgenomen als gevolg van buik- en liesklachten. Tevens heeft hij meer last gekregen van migraine en slaapproblemen en is er eveneens sprake van een toename van zijn knie-, nek- en schouderklachten.

Op 11 september 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot rapport uitgebracht. Hij is van mening dat het door de arbeidsdeskundige Van Veen gehanteerde maatmanloon niet juist is geweest. Bovendien is hij van mening dat de functie van telefoniste/receptioniste niet geschikt is voor appellant wegens in die functie voorkomende deadlines en productiepieken. Omdat 3 SBC-codes te weinig arbeidsplaatsen opleverden heeft hij aan de hand van 4 SBC-codes, met inachtneming van het juiste maatmanloon, een nieuwe schatting gedaan, waarbij hij tot een zelfde mate van arbeidsongeschiktheid is gekomen als in de primaire fase. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms op

6 oktober 2003 rapport uitgebracht, waarbij hij de beschikking heeft gehad over enige informatie uit de behandelende sector. In dit rapport heeft hij het door de primaire verzekeringarts ingenomen standpunt onderschreven. Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar, waarbij hij nog nadere medische informatie van zijn huisarts heeft overgelegd. In deze informatie wordt gesteld dat er bij appellant eveneens sprake is van fibromyalgie en rechterpols-klachten.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de nader gestelde diagnose van fibromyalgie. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat hij vanwege de samenhang van klachten zodanige beperkingen heeft dat hij niet is staat is om de geselecteerde functies uit te oefenen.

Op verzoek van de Raad heeft gedaagde bij schrijven van 10 maart 2005 door middel van een rapport d.d. 9 maart 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Moolen nog een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en de Raad is ook anderszins niet tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen een onvoldoende onderzoek hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant. De voor appellant vastgestelde (k)FML kan de Raad derhalve niet voor onjuist houden. De in beroep en hoger beroep van de zijde van appellant ingebrachte medische informatie heeft de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen dat de voor appellant in de (k)FML opgenomen beperkingen zijn onderschat. De Raad kan zich dan ook verenigen met de medische component van het bestreden besluit.

Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde in voldoende mate heeft aangetoond dat appellant geschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Voor zover er sprake is van ogenschijnlijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant in deze functies, heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad in voldoende mate gemotiveerd dat deze geen beletsel voor appellant vormen om deze functies uit te oefenen. Aangezien de arbeidskundige component eveneens op goede gronden berust, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte niet kan worden aangetast. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.