Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
05-7001 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling laten aanvragen bijzondere bijstand ingevolge de WWB. Grief te laat aangevoerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7001 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 oktober 2005, 04/1503 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006. Voor appellante zijn verschenen J. Wiersma en

mr. W.M. Heuveling. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Caron, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 14 januari 2004 en op 30 maart 2004 heeft appellante een drietal aanvragen ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de eigen bijdragen in de kosten van rechtsbijstand en voor de kosten van griffierecht.

De aanvraag van 14 januari 2004 heeft geleid tot het besluit van 8 april 2004 waarbij het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten behandeling heeft gelaten. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante niet uiterlijk op 29 maart 2004 de gegevens heeft verstrekt waar het College bij brief van 15 maart 2004 om had verzocht, te weten gegevens omtrent haar financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag.

De aanvragen van 30 maart 2004 hebben geleid tot de besluiten van 19 april 2004 waarbij het College de aanvragen eveneens met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling heeft gelaten. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante niet uiterlijk op 16 april 2004 de gegevens heeft verstrekt waar het College bij brieven van 2 april 2004 om had verzocht, te weten gegevens omtrent haar financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag.

Bij besluit van 10 november 2004 heeft het College de tegen de besluiten van 8 april 2004 en 19 april 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat appellante niet heeft voldaan aan de verzoeken van het College om voor respectievelijk 29 maart 2004 en 16 april 2004 de gevraagde gegevens aangaande haar financiële situatie, te verstrekken. Gelet op de bestaande onduidelijkheid omtrent de financiële situatie van appellante heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn ter beoordeling van de aanvragen om bijzondere bijstand. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat appellante niet over de gevraagde gegevens beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en deze niet tijdig kon overleggen.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het College bevoegd was om de aanvragen met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. De Raad ziet voorts geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. De door appellante gestelde omstandigheid dat het College in eerdere procedures genoegen heeft genomen met minder gegevens aangaande haar financiële situatie dan in de onderhavige procedure betekent, wat daarvan zij, naar het oordeel van de Raad niet dat het College in het kader van de onderhavige aanvragen niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om de aanvragen buiten behandeling te laten.

Ter zitting van de Raad is namens appellante gesteld dat in het onderhavige geval ten behoeve van het besluit op bezwaar niet conform artikel 7:13 van de Awb advies is uitgebracht door de voltallige adviescommissie. De Raad gaat aan deze grief voorbij aangezien deze in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting van de Raad naar voren is gebracht, de gemachtigde van het College zich daar niet op voor heeft kunnen bereiden en voorts niet gebleken is dat die grief niet eerder had kunnen worden aangevoerd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get) J.J.A. Kooijman.

(get.) L.M. Reijnierse.