Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
04-4236 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Onderbouwing in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4236 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2004, 2003/1571 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 15 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C. Breuls, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld en bij brief van 5 april 2005 medische gegevens ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, alsmede een rapport van 7 april 2005 van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker en een rapport van 11 mei 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006. Appellant is verschenen bij mr. Breuls. Het Uwv heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 19 september 2003 het besluit van

22 april 2003 heeft gehandhaafd, waarbij aan appellant met ingang van 10 april 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat zij, gelet op de aanwezige medische gegevens, geen aanknopingspunten heeft voor de veronderstelling dat de functionele mogelijkheden van appellant door het Uwv niet juist zouden zijn vastgesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat die functionele mogelijkheden van dien aard zijn dat appellant niet in staat is de voor hem geschikt geachte functies te vervullen, dan wel dat zulks gepaard zou gaan met een extreem hoog ziekteverzuim. Daarop is het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellant, met herhaling van hetgeen hij in eerste aanleg had doen aanvoeren, ter nadere onderbouwing van zijn standpunt een schrijven van 22 maart 2005 van zijn fysiotherapeut ingezonden en het medisch journaal van zijn huisarts, bestrijkende de periode 8 juli 1997 tot 30 maart 2005.

In reactie hierop heeft het Uwv het in rubriek I genoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts Jonker ingezonden. Deze is na bestudering van deze stukken tot de conclusie gekomen dat de zorgen van appellant over zijn gezondheidstoestand goed invoelbaar zijn en dat met alle genoemde aandoeningen bij de medische beoordeling in voldoende mate rekening is gehouden.

Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige Harren, door de Raad desverzocht, bij rapport van 11 mei 2006 een uitgebreide toelichting gegeven op de arbeidskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voor elke aan de schatting ten grondslag gelegde functie gemotiveerd dat de door het Claim-, Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) gesignaleerde mogelijke overschrijdingen in die functies van de functionele mogelijkheden van appellant, toelaatbaar zijn te achten.

De Raad heeft geen aanleiding het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Jonker voor onjuist te houden. De in hoger beroep van de zijde van appellant ingezonden medische gegevens zijn door haar in haar rapport van 7 april 2005 beoordeeld. Haar conclusie dat met de in die gegevens naar komende aandoeningen bij de vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant in voldoende mate rekening is gehouden, acht de Raad, gelet op de overige gegevens van medische aard, aannemelijk en is van de zijde van appellant verder ook niet met nieuwe medische gegevens bestreden.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft appellant ter zitting nog doen aanvoeren dat een aantal functies waarop de schatting rust niet geschikt is, omdat daarin zich overschrijdingen voordoen met betrekking tot het gebruik van de nek, de hand en vingervaardigheid en de aanwezigheid van gassen en dampen. De Raad ziet deze grief geen doel treffen. In de eerste plaats wijst de Raad op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Harren, waarin per functie de gesignaleerde overschrijdingen zijn besproken en uitgebreid gemotiveerd is waarom die functies voor appellant geschikt zijn. Voor het overige moet de Raad vaststellen dat appellant bij deze grief uitgaat van een beperking van de functionele mogelijkheden waarvoor hij uit medisch oogpunt niet beperkt wordt geacht.

De Raad stelt wel vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s Raads standpunt met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.H. Vogt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) L.H. Vogt.