Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
04-6977 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning WAO-uitkering. Niet aangemerkt als arbeidsgehandicapte ingevolge de wet REA. Meer beperkingen dan aangenomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6977 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2004, 04/931 en 04/932 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend en heeft vervolgens een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Voor appellant is verschenen mr. Caddeo, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 2 september 2002 heeft het Uwv geweigerd om appellant, die laatstelijk op 4 september 2001 wegens psychische klachten was uitgevallen voor zijn werkzaamheden als chauffeur annex magazijnmedewerker, met ingang van

23 augustus 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

Bij besluit van eveneens 2 september 2002, genomen in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden om van rechtswege als arbeidsgehandicapte in de zin van die wet te worden aangemerkt, maar dat hij, nu uit de plaatsgevonden hebbende medisch-arbeidskundige beoordeling is gebleken dat hij wegens ziekte of gebreken belemmeringen ondervindt bij het verkrijgen of verrichten van arbeid, hij deswege voor de duur van vijf jaar als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea wordt aangemerkt.

Bij besluit van 3 april 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen beide besluiten van 2 september 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende adviezen van de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig tot stand zijn gekomen, dat die adviezen ook overigens voldoen aan de daaraan te stellen eisen en dat, ten materiƫle, geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het door die verzekeringsartsen ingenomen standpunt. Met betrekking tot dit laatste heeft de rechtbank nog opgemerkt dat de informatie van de behandelend psychiater Van Onna het oordeel van de verzekeringsartsen bevestigde. Er is aldus volgens de rechtbank geen reden om, als verzocht, een onafhankelijk deskundige te benoemen. Nu voorts niet is kunnen blijken dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet juist zou zijn, heeft de rechtbank geoordeeld dat op goede gronden aan appellant toekenning van WAO-uitkering is geweigerd. Daaruit volgt volgens de rechtbank tevens dat appellant, anders dan hijzelf voorstaat, niet op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet Rea van rechtswege als arbeidsgehandicapte is te beschouwen, en dat het Uwv bevoegd was om op grond van artikel 2, derde lid, van die wet te bepalen dat ten aanzien van appellant een belemmering bestaat bij het verkrijgen of verrichten van arbeid en dat hij om die reden moet worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft doen aanvoeren, in essentie neerkomend op een herhaling van de in eerdere fases van de procedure reeds naar voren gebrachte grieven, heeft de Raad geen aanleiding gegeven om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank.

De Raad voegt daaraan nog toe dat in hoger beroep geen nadere objectief-medische gegevens zijn geproduceerd die steun zouden kunnen verlenen aan de eigen zienswijze van appellant dat hij vanwege zijn psychische problematiek meer beperkingen ondervindt dan waarvan het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit is uitgegaan. Wat betreft de zich reeds onder de stukken bevindende gegevens, merkt de Raad op dat hij zich in het bijzonder ook kan verenigen met de overweging van de rechtbank dat aan de adviezen van Meditel en Commit keuringen geen steun valt te ontlenen voor appellants eigen opvatting, nu die adviezen een genoegzame medische onderbouwing ontberen en overigens geen betrekking hebben op de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting merkt de Raad voorts op dat de gestelde wegrakingen van appellant kennelijk bij neurologisch onderzoek - waarvan melding wordt gemaakt in een schrijven van 19 juli 2002 van de behandelend psychiater Van Onna - niet konden worden bevestigd, terwijl overigens het Uwv daarmee in die zin al rekening heeft gehouden dat appellant niet geschikt is bevonden voor functies waarin sprake is van een verhoogd persoonlijk risico.

Nu ook de Raad zich aldus kan stellen achter de ten aanzien van appellant in aanmerking genomen beperkingen, bestaat er geen aanleiding om het in hoger beroep herhaalde verzoek tot raadpleging van een onafhankelijk medisch deskundige te honoreren.

Nu de Raad, ten slotte, ook geen aanknopingspunten heeft om ervan uit te gaan dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies niet als voor appellant passend vallen aan te merken, komt de Raad tot de slotsom dat terecht aan appellant geen uitkering ingevolge de WAO is toegekend. Daaruit volgt dat het besluit tot het aanmerken van appellant als arbeidsgehandicapte op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet Rea, evenmin in rechte bezwaren ontmoet.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.