Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
06-2225 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Opleggen maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2225 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 maart 2006, 05/6796 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2006. Appellant is, na voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Appellant was laatstelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 8 april 2005. Op 21 maart 2005 heeft de werkgever hem bericht dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Appellant heeft met ingang van 8 april 2005 een WW-uitkering aangevraagd. Desgevraagd heeft hij het Uwv meegedeeld dat hij in de periode voorafgaand aan het intreden van zijn werkloosheid niet heeft gesolliciteerd.

2.2. Bij besluit van 9 augustus 2005 is appellant met ingang van 8 april 2005 een WW-uitkering toegekend. Omdat appellant zich volgens het Uwv niet had gehouden aan zijn sollicitatieplicht is die uitkering tevens bij dat besluit bij wijze van maatregel gekort met 20% gedurende 16 weken. Tegen het opleggen van deze maatregel heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 15 september 2005 is dit bezwaar ongegrond verklaard. In dat besluit is vermeld dat van appellant verwacht had mogen worden dat hij in de periode van 21 maart 2005 tot en met 7 april 2005 tenminste één sollicitatieactiviteit had ondernomen.

3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank wist appellant in elk geval vanaf 21 maart 2005 dat de arbeidsovereenkomst op 8 april 2005 zou eindigen, en moet hij in de periode van

21 maart 2005 tot en met 7 april 2005 in staat zijn geweest tenminste één sollicitatie te verrichten. Door appellant is niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn lichamelijke gesteldheid en zijn lange werkdagen niet kon solliciteren.

3.2. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden. Hij heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, gesteld dat hij dacht dat hij bij zijn werkgever kon blijven werken, dat hij door zijn lichamelijke gesteldheid niet kon solliciteren, dat hij geen tijd had om te solliciteren omdat hij tot de ontslagdatum fulltime heeft gewerkt en twaalf uur per dag van huis was, en dat hij al zijn energie heeft gestoken in het ondernemen van activiteiten om zijn baan te behouden, hetgeen op zich al als volwaardige sollicitatieactiviteit kan worden aangemerkt.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend.

4.2. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is bepaald dat een werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. In de bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW is als beleid geformuleerd terzake van de sollicitatieplicht voorafgaande aan het recht op uitkering: "Van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op een andere wijze dan door opzegging eindigt wordt verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt." In zijn uitspraak van 6 juli 2005, LJN AT9477, USZ 2005/328, heeft de Raad geoordeeld dat dit laatst vermelde onderdeel van het beleid van het Uwv niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.

4.3. Vast staat dat appellant voorafgaande aan het einde van zijn dienstbetrekking niet heeft gesolliciteerd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de door appellant aangevoerde argumenten onvoldoende zijn om te rechtvaardigen dat hem van het niet-nakomen van de sollicitatieverplichting geen of in verminderde mate een verwijt valt te maken. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant uit de door de werkgever ten behoeve van een hypotheekverstrekking aan appellant afgegeven verklaring niet zonder meer mogen afleiden dat sprake was van een dienstverband voor onbepaalde tijd dan wel dat zijn contract toch zou worden verlengd. Appellant diende er terdege mee rekening te houden dat hij per 8 april 2005 werkloos zou worden. De Raad voegt daaraan nog toe dat omtrent de door appellant gestelde activiteiten om zijn baan te behouden uit de beschikbare gegevens slechts blijkt dat namens appellant in de hier in geding zijnde periode een brief aan de werkgever is gezonden. Naar het oordeel van de Raad kan dat niet worden aangemerkt als een concrete sollicitatieactiviteit.

4.4. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat appellant de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet is nagekomen en dat er geen sprake is van afwezigheid van verwijtbaarheid noch van verminderde verwijtbaarheid. Het Uwv was dientengevolge ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW verplicht de desbetreffende maatregel op te leggen.

4.5. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.