Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
04-4666 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4666 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2004, 03/2964 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2005. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Leeuwen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Bij brief van 18 mei 2006 heeft het Uwv de Raad afschriften van beslissingen van 5 mei 2006 toegezonden.

Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

Met de besluiten van 5 mei 2006 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. Deze besluiten komen geheel tegemoet aan het beroep van appellante. Tussen partijen bestaat, gezien de inhoud van de besluiten en hetgeen overigens is aangevoerd, geen geschil meer. Derhalve heeft appellante geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Raad ziet in de argumenten van het Uwv als vermeld in diens brief van 18 mei 2006 geen reden om toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht achter-wege te laten en hij zal het Uwv veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- in bezwaar, van € 644,-- in eerste aanleg en een bedrag van € 644,-- in hoger beroep telkens wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van totaal € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.