Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
06-125 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvallen belang. Hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/125 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 november 2005, 05/204 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006.

I PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.

II OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 oktober 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de uitkering ingevolge de WW met ingang van 28 september 2004 blijvend geheel geweigerd wordt omdat appellant heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden.

Het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 17 januari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 17 januari 2005 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft de Raad op 10 mei 2006 een nader besluit op bezwaar van diezelfde datum toegezonden.

Bij brief van 23 juni 2006 heeft appellant de Raad laten weten het eens te zijn met het nadere besluit van 10 mei 2006 en heeft daarbij verzocht om vergoeding van wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens de brief van appellant d.d. 11 september 2006 aan het Uwv is de rente over de nabetaalde uitkering “in orde gebracht”.

Gelet hierop heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak over het besluit van 17 januari 2006 en wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad acht voorts termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb zijn nadere regels gesteld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig het Bpb. Het gaat om een forfaitaire vergoeding en niet om een vergoeding van alle werkelijk gemaakte kosten.

Overeenkomstig de bijlage van het Bpb kent de Raad ten behoeve van de procedure in eerste aanleg 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting toe. Dit betekent dat de kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg worden begroot op € 644,--. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van € 140,-- (€ 37,--+ € 103,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

RH

05/12