Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
05-1564 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schadevergoeding. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1564 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 januari 2005, 04/1405 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 3 mei 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij recht heeft op een uitkering ingevolge de WW maar dat de uitkering met ingang van 1 april 2004 niet kan worden uitbetaald omdat appellant ter zake van het ontslag bij zijn laatste werkgever als verwijtbaar werkloos moet worden aangemerkt.

Het namens appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 16 augustus 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 16 augustus 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven ter zake van de vergoeding van betaald griffierecht en gemaakte proceskosten. Daarbij heeft zij appellants verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv bij brief van 7 juni 2006 een nieuwe beslissing op bezwaar van dezelfde datum aan de Raad doen toekomen, waarbij appellant is meegedeeld dat het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2004 alsnog gegrond wordt geacht en dat de WW-uitkering over de periode van 1 april 2004 tot en met

31 maart 2006 wordt betaald.

Uit de brief van 23 juni 2006 van appellant leidt de Raad af dat aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen, maar dat hij zijn verzoek tot vergoeding van renteschade handhaaft.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op het beroepschrift en genoemde brief van 23 juni 2006 beperkt het hoger beroep van appellant zich tot de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding door de rechtbank.

Blijkens het vorenstaande is het besluit van het Uwv d.d. 3 mei 2004, voorzover het de daarbij opgelegde maatregel betreft, als onrechtmatig aan te merken.

Het verzoek om met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen tot vergoeding van renteschade kan worden ingewilligd, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op 1 juli 2004. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar ’s Raads uitspraak van 1 november 1995,

LJN ZB 1495, RSV 1996/182 en JB 1995/314.

De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van

renteschade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 102,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.