Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
05-3322 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3322 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 april 2005, 04/1951 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep in gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd bij brief van 12 juli 2005.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2006, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Reeser, voornoemd, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Wardenburg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Hij heeft aan het Uwv schriftelijk enkele vragen gesteld, waarop bij brief van 19 juni 2006 is geantwoord.

Appellant heeft desgevraagd een reactie ingezonden bij brief van 28 juni 2006.

Bij brief van 1 augustus 2006 heeft het Uwv desgevraagd de Raad afschriften van besluiten van 1 augustus 2006 toegezonden.

Bij schrijven van 28 augustus 2006 heeft mr. Reeser, voornoemd, de Raad desgevraagd laten weten dat appellant zich kan verenigen met de besluiten van 1 augustus 2006.

Partijen hebben toestemming gegeven een nadere behandeling ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

Met de besluiten van 1 augustus 2006 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Deze besluiten komen, gelet op de brieven van appellant d.dis. 28 juni en 28 augustus 2006, geheel tegemoet aan het beroep van appellant. Tussen partijen bestaat, gezien de inhoud van deze besluiten en hetgeen overigens is aangevoerd, geen geschil meer. Derhalve heeft appellant geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve

€ 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) P. Boer.