Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
05-146 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/146 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 december 2004, 04/702 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 15 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.L. Turnhout. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij beslissing op bezwaar van 6 januari 2004 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2003 gegrond verklaard. Voorts heeft appellant besloten de aan betrokkene onverschuldigd uitbetaalde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) over de periode van 27 december 2002 tot en met 31 januari 2003 terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 973,32 bruto.

De rechtbank heeft het beroep tegen bovenvermeld besluit gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat de uitbetaalde WAO-uitkering over voornoemde periode en tot het bedrag van € 973,32 zoals genoemd in het bestreden besluit, niet onverschuldigd is gedaan.

Niettemin heeft de rechtbank het bestreden terugvorderingsbesluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken was of appellant had onderzocht of zich een dringende reden voordeed in de zin van artikel 57, vierde lid, van de WAO.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft in zijn hoger beroepschrift daartoe het volgende aangevoerd:

“(…) Blijkens de jurisprudentie van uw Raad (RSV 2005/264) dient de dringende reden als bedoeld in artikel 57 lid 4 WAO blijkens de wetsgeschiedenis beperkt te worden opgevat en dient de betrokkene nadrukkelijk een beroep te doen op het aanwezig zijn van dringende redenen (RSV 2002/133). Slechts indien daartoe aanleiding bestaat is er een onderzoeksplicht voor het uitvoeringsorgaan naar het bestaan van dringende redenen (RSV 2002/167). In de onderhavige zaak is door de [appellant] geen beroep gedaan op het aanwezig zijn van dringende redenen. Naar het oordeel van ondergetekende bestond er ook geen aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek naar het aanwezig zijn van dringende redenen. In dit verband acht ondergetekende de beperkte (lees: omvang) van het terug te vorderen bedrag van belang, alsmede het feit dat de [appellant] in ieder geval ten tijde van belang full time werkzaam was.

Van omstandigheden waaruit afgeleid zou kunnen worden dat het besluit tot terugvordering zou kunnen leiden tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen was naar het oordeel van ondergetekende geen sprake. Zoals vermeld kan ondergetekende zich daarom niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank”.

De Raad onderschrijft de strekking van dit betoog dat op appellant bij de voorbereiding van een terugvorderingsbesluit als in het onderhavige geval alleen dan een verplichting rust te onderzoeken of er sprake is van een dringende reden, indien door de betrokkene een beroep wordt gedaan op het bestaan van een dringende redenen of indien van omstandigheden blijkt die op de aanwezigheid van zo’n uitzonderlijk geval kunnen duiden.

Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat betrokkene een dergelijk beroep heeft gedaan. Evenmin is van enige omstandigheid gebleken die voor appellant mogelijkerwijs aanleiding had kunnen zijn om het bestaan van een dringende reden te onderzoeken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit is vernietigd, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

De uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.H. Vogt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) L.H. Vogt.