Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
05-6077 WWB + 05-6078 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand. Oplegging arbeidsverplichtingen. De verplichting mee te werken aan interventiegesprekken bij Argonaut. De weigering om ontheffing te verlenen van de opgelegde arbeidsverplichtingen voor onbepaalde tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6077 WWB

05/6078 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 september 2005, 04/972 en 05/76 hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kruidhof.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving een bijstandsuitkering laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 23 maart 2001 heeft het College het besluit van 20 juni 2000 gehandhaafd, waarbij, voor zover van belang, aan appellant in het kader van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) zijn opgelegd een uitstroomplicht voor 20 uur per week en de plicht zich bij het arbeidsbureau (thans Centrum Werk en Inkomen) te laten inschrijven. Het tegen het besluit van 23 maart 2001 ingestelde beroep is ingetrokken.

Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft het College appellant tot 20 maart 2004 ontheven van de hem bij besluit van 20 juni 2000 opgelegde verplichtingen maar is hem wel de verplichting opgelegd mee te werken aan interventiegesprekken bij Argonaut. Het College heeft aan dit besluit de adviezen van 12 juni 2003 van de psycholoog

J.P.W. Willems en de arts J.G. Meijer alsmede van de arbeidsdeskundige

P.T. Kamersmans van 20 juni 2003 ten grondslag gelegd. Tevens is appellant meegedeeld dat periodiek zal worden bekeken in hoeverre voortzetting van de verleende ontheffing noodzakelijk is.

Bij besluiten van 1 april 2004 en 24 juni 2004 zijn de aan appellant bij besluit van

20 juni 2000 verleende ontheffing en de bij besluit van 2 oktober 2003 opgelegde verplichting ongewijzigd voortgezet tot 21 juni 2004 respectievelijk 1 oktober 2004.

Bij besluit van 29 juni 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

2 oktober 2003 en bij besluit van 9 december 2004 het bezwaar tegen de besluiten van

1 april 2004 en 24 juni 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 juni 2004 ongegrond verklaard. Bij dezelfde uitspraak heeft de rechtbank het

beroep tegen het besluit van 9 december 2004 gegrond verklaard, dat besluit

vernietigd en - met beslissingen omtrent proceskosten en griffierecht - bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het College bij zijn besluiten van 1 april 2004 en 24 juni 2004 ten onrechte is uitgegaan van de toepasselijkheid van de WWB in plaats van de Abw.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover hierbij het beroep tegen het besluit van 29 juni 2004 ongegrond is verklaard en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 december 2004 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Oplegging arbeidsverplichtingen

De Raad stelt allereerst vast dat, nu het beroep tegen het besluit van 23 maart 2001 is ingetrokken, dit besluit in rechte vaststaat. De Raad is op grond hiervan met de rechtbank van oordeel dat de grieven van appellant voor zover deze betrekking hebben op de destijds aan appellant opgelegde arbeidsverplichtingen thans niet meer aan de orde kunnen komen.

De verplichting mee te werken aan interventiegesprekken bij Argonaut

De Raad ziet zich voorts, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellant thans nog belang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak voor wat betreft de hem over de periode 2 oktober 2003 tot 1 oktober 2004 opgelegde verplichting mee te werken aan interventiegesprekken bij Argonaut.

Ter zitting is van de zijde van het College desgevraagd meegedeeld dat de interventiegesprekken tot op heden niet hebben plaatsgevonden, dat geen sprake is geweest van het opleggen van een maatregel wegens het niet nakomen van deze verplichting en dat een dergelijke maatregel ook niet jegens appellant wordt overwogen. Een en ander brengt naar het oordeel van de Raad mee, dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van hetgeen ter zake over de genoemde verplichting in de aangevallen uitspraak is overwogen en beslist. Hetgeen namens appellant hieromtrent ter zitting is aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

De weigering om ontheffing te verlenen van de opgelegde arbeidsverplichtingen voor onbepaalde tijd

Appellant stelt zich op het standpunt dat hem voor onbepaalde tijd ontheffing van de

arbeidsverplichtingen dient te worden verleend. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de

arbeidsverplichtingen van 1 januari 1982 tot 20 juni 2000 niet op hem van toepassing

waren en dat ontheffing voor telkens een bepaalde periode tot verergering van zijn

medische en psychische problematiek leidt.

De Raad deelt dit standpunt niet. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 april 2005

(LJN: AT5285) heeft aangegeven - en onder verwijzing naar de daarin gegeven overwegingen - zal het College bij (her)onderzoeken periodiek moeten bezien of, en in hoeverre, er aanleiding is om tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffingen van deze verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Een besluit om voorgoed of zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van de - uit de wet voortvloeiende -verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid, zou daarmee in strijd zijn.

Gelet hierop en op de hiervoor genoemde (medische) adviezen waarop het College zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd, ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om appellant voor de perioden in geding (tijdelijk) ontheffing te verlenen van meergenoemde verplichtingen. Hetgeen overigens van de zijde van appellant hieromtrent is aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Slotoverwegingen

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep voor zover betrekking hebbend op de aan appellant opgelegde verplichting mee te werken aan interventiegesprekken bij Argonaut niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor het overige, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de verplichting mee te werken aan interventiegesprekken bij Argonaut over de periode van 2 oktober 2003 tot 1 oktober 2004, niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

RB2911