Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
05-5882 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten betrokken ambtenaar wegens ernstig plichtsverzuim (onvoorwaardelijk) disciplinair ontslag te verlenen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5882 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2005, 04/2458 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.J. Overgaauw, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was werkzaam als verhaalsmedewerker bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: dienst). Begin april 2003 is de dienst door een bankinstelling op de hoogte gesteld van een mogelijk frauduleuze kredietaanvraag door appellante. Uit het vervolgens gehouden intern onderzoek is gebleken dat appellante met behulp van vervalste documenten een krediet van

€ 31.200,00 heeft getracht te verkrijgen op naam van haar echtgenoot. Daartoe heeft zij (onder meer) een op haar naam gestelde salarisspecificatie zodanig aangepast, dat deze door zou moeten gaan voor een salarisspecificatie van haar echtgenoot. In het kader van deze kredietaanvraag heeft appellante vanuit de dienst telefoon- en faxverkeer met de bank onderhouden. Na aanvankelijke ontkenning van iedere betrokkenheid heeft appellante op 15 mei 2003 in een gesprek met haar leidinggevenden de gestelde feiten erkend. Zij heeft ter verontschuldiging aangevoerd onder dwang van criminele contacten van haar echtgenoot te hebben gehandeld.

1.2. Naar aanleiding van deze feiten is aan appellante bij brief van 21 oktober 2003 het besluit meegedeeld haar wegens ernstig plichtsverzuim (onvoorwaardelijk) disciplinair ontslag te verlenen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 juni 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is - kort samengevat - overwogen dat de gedragingen van appellante ernstig plichtsverzuim vormen, dat aan haar kan worden toegerekend. De gedragingen geschiedden deels vanuit de dienst en met gebruikmaking van een door de dienst verstrekte salarisspecificatie, en speelden zich (reeds daarom) niet uitsluitend af in de privésfeer. Bovendien bekleedde appellante een functie binnen de dienst, uit hoofde waarvan zij verantwoordelijk was voor het verhaal van uitkeringen, en waarvoor derhalve zowel binnen als buiten de privésfeer volstrekte integriteit vereist is. Gelet op haar ervaring en achtergrond had zij de gevolgen van haar handelen moeten beseffen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake geweest is van dwang; ook van de zijde van de politie kon geen bevestiging worden gekregen van de gestelde bedreigingen. De rechtbank heeft voorts het opgelegde strafontslag, zonder de toevoeging eervol en met onmiddellijke tenuitvoerlegging, niet onevenredig geacht. Daarbij is onder meer overwogen dat appellante, door haar handelwijze en door haar aanvankelijke ontkenning daarvan, het vertrouwen van het college ernstig heeft beschaamd. Bovendien kon haar handelwijze de goede naam en reputatie van de dienst aantasten. Tegenover haar stelling dat zij geen enkele steun heeft gekregen vanuit de dienst wordt het gegeven geplaatst, dat zij voorafgaand aan de gewraakte kredietaanvrage niemand binnen de dienst - ook niet de maatschappelijk werkers en de vertrouwenspersoon - op de hoogte heeft gesteld van de vermeende problemen. Ook de door appellante gestelde toezegging van wethouder T dat zij niet ontslagen zou worden is niet aannemelijk gemaakt.

3.1. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het bestreden besluit heeft gegeven en de overwegingen, op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Gelet hierop volstaat de Raad in hoofdzaak met te verwijzen naar die overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht voegt de Raad hieraan nog het volgende toe.

3.2. Uit de gedingstukken, in het bijzonder de door appellante overgelegde e-mails die zij met de secretaresse van wethouder T heeft gewisseld, blijkt niet van enige toezegging van deze functionaris, dat hij zou zorgen voor een andere functie van appellante. Ter zitting van de Raad is dit namens het college nogmaals uitdrukkelijk ontkend. De Raad acht zo’n toezegging ook hoogst onaannemelijk, mede gelet op de opstelling van wethouder T tijdens de hoorzitting over het ontslagvoornemen. Het gegeven dat appellante onlangs heeft meegewerkt aan een project voor de gemeente Rotterdam doet niet af aan de houdbaarheid van het bestreden besluit en betekent niet dat voor appellante recht op achterstallig salaris is ontstaan, zoals door haar is gesteld.

4. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

21.11