Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
05-5525 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag trambestuurder omdat hij voorafgaand aan zijn dienst in dienstkleding heeft gerookt in de tram.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5525 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2005, 04/5023 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 14 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2006. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. C.M. Kraan, advocaat te Amsterdam. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J Buurma, [leidinggevende] en [medewerker], allen werkzaam of werkzaam geweest bij het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (GVB).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is werkzaam als personenvervoerder (trambestuurder) bij het GVB. Bij brief van 9 januari 2004 is hem het voornemen kenbaar gemaakt met toepassing van de artikelen 204, 1003, eerste lid, onder f, en 1004 van het Ambtenarenreglement Amsterdam de disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag op te leggen, met een proeftijd van twee jaar. Betrokkene is daarbij ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, omdat hij op 19 november 2003 voorafgaand aan zijn dienst in dienstkleding heeft gerookt in de tram.

1.2. Nadat betrokkene hieromtrent zijn zienswijze heeft gegeven, waarbij hij heeft ontkend dat hij in de tram had gerookt, heeft appellant bij besluit van 27 februari 2004 de aangekondigde disciplinaire straf opgelegd. Appellant heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 augustus 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Vast staat dat betrokkene op 19 november 2003 in dienstkleding heeft staan praten met de bestuurder van de tram waarin hij op weg was naar het eindpunt om zijn dienst aan te vangen. In de tram bevond zich ook zijn leidinggevende [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende]). Deze heeft verklaard - en bij de rechtbank onder ede bevestigd - dat betrokkene bij die gelegenheid aan het roken was. [leidinggevende] heeft betrokkene hierop echter niet meteen aangesproken, maar hem naar zijn zeggen indringend aangekeken en hem later, na raadpleging van het personeelsdossier, alsnog bij zich ontboden.

3.2. De rechtbank heeft op grond van de beschikbare gegevens onvoldoende feitelijk onderbouwd geacht dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim dat ten grondslag is gelegd aan het voorwaardelijk ontslag. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat tegenover de ontkenning van betrokkene dat hij op de tram heeft gerookt uitsluitend de verklaring van [leidinggevende] staat, dat betrokkene niet onverwijld op zijn rookgedrag is aangesproken en dat is nagelaten mogelijke getuigen van het voorval te horen.

3.3. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aan de verklaring van [leidinggevende] is voorbijgegaan, waardoor [leidinggevende] impliciet van meineed wordt beschuldigd. Bij het constateren van onregelmatigheden mag een leidinggevende functionaris niet afhankelijk worden gemaakt van verklaringen van collega's of passagiers. Het onmiddellijk opnemen van verklaringen zou bovendien de uitvoering van de tramdienst in gevaar brengen. De bij het voorval aanwezige trambestuurder en conductrice zijn later alsnog gehoord, maar konden zich niets herinneren. [leidinggevende] heeft betrokkene niet direct op de tram op diens rookgedrag willen aanspreken, omdat betrokkene daardoor in verlegenheid zou zijn gebracht bij zijn collega's, aldus appellant.

3.4. De Raad overweegt dat in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, maar dat anderzijds ook voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Op zichzelf is niet uitgesloten dat plichtsverzuim wordt aangenomen op grond van de - al dan niet beëdigde - verklaring van één leidinggevende. Of aan zo'n verklaring doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, is echter afhankelijk van het geheel van de omstandigheden.

3.5. In dit geval kan er niet aan worden voorbijgezien dat betrokkene niet onmiddellijk in de gelegenheid is gesteld op de constateringen van [leidinggevende] te reageren. [leidinggevende] heeft betrokkene eerst enkele uren later op het roken op de tram aangesproken. Een bevredigende verklaring voor deze handelwijze is niet gegeven. Anders dan appellant heeft betoogd, had betrokkene direct kunnen worden aangesproken zonder de situatie ter plekke te "bevriezen". Een enkele opmerking zou op dat moment voldoende zijn geweest. [leidinggevende] was daartoe als meerdere van alle aanwezige personeelsleden volkomen gerechtigd en uit een oogpunt van handhaving van de discipline ook geroepen. Aldus zou betrokkene direct met het hem verweten gedrag zijn geconfronteerd, had hij meteen een reactie kunnen geven en zou de situatie ook jegens de omstanders - als mogelijke getuigen - duidelijk zijn gemarkeerd. Door betrokkene eerst enkele uren nadien, buiten aanwezigheid van getuigen, de gelegenheid te bieden zich te verdedigen, is hij onnodig in een slechtere bewijspositie gebracht. De Raad neemt voorts in aanmerking dat de bij het incident aanwezige collega’s van betrokkene eerst enkele weken na het voorval zijn gehoord, hetgeen evenmin bevorderlijk is voor een goede bewijsgaring. De stelling van appellant dat deze collega's zich niets meer konden herinneren is op zijn minst onvolledig, nu is gebleken dat de trambestuurder daaraan heeft toegevoegd dat hij, als niet-roker, er zeker iets van zou hebben gezegd indien betrokkene op zijn tram had gerookt. Daarmee heeft de trambestuurder kennelijk willen aangeven dat hij, indien betrokkene inderdaad had gerookt, zich dit wel zou hebben herinnerd en dat hij het daarom onwaarschijnlijk acht dat dit het geval is geweest. Ten onrechte is deze verklaring niet schriftelijk vastgelegd althans niet aan het dossier toegevoegd. Een en ander verdraagt zich niet met de aard van de onderzoeksplicht die op appellant als bestuurs-orgaan rust.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat ook naar het oordeel van de Raad niet kan worden gesproken van deugdelijk vastgestelde gegevens die rechtens tot de overtuiging kunnen leiden dat betrokkene zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Daarmee is niet gezegd dat de verklaring van [leidinggevende] in strijd met de waarheid is, maar enkel dat aan die verklaring onder de gegeven omstandigheden geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Dat [leidinggevende] naar eer en geweten heeft verklaard, kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden.

3.7. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat aan appellant niet de bevoegdheid toekomt om betrokkene een disciplinaire straf op te leggen. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

11.12