Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
05-5084 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de minister het verzoek van betrokkene om Interim Functievervulling en een terugkeergarantie terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5084 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juni 2005, 04/1491 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën, thans de Minister van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 21 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Floor, werkzaam bij DAS rechtsbijstand. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Mulder, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk ten name van de Staatssecretaris van Financiën is gevoerd, is in verband met de wijziging van taken, blijkende uit het besluit van 7 juli 2006 tot ontslag aan die staatssecretaris (Stcrt. 2006, 132), voortgezet ten name van de Minister van Financiën. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was sinds 1 oktober 1984 werkzaam bij het Ministerie van Financiën, laatstelijk met een vaste aanstelling in de functie van klantmanager in opleiding bij de [Standplaats]. Bij brief van 21 februari 2001 heeft appellant de minister verzocht hem per 1 maart 2001 ontslag te verlenen in verband met het aanvaarden van een tijdelijke functie bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV). Appellant heeft hierbij tevens verzocht om de weigering hem op basis van Interim Functievervulling (IF) de functie bij LNV te laten verrichten en de weigering hem een terugkeergarantie te verlenen in een besluit neer te leggen.

2.2. Bij besluit van 8 maart 2001 heeft de minister appellant met ingang van 1 maart 2001 ontslag verleend en appellants verzoek om IF en een terugkeergarantie afgewezen. Bij besluit van 20 november 2001 is het besluit van 8 maart 2001 ingetrokken voor wat betreft het ontslag, aangezien appellant, aldus de minister, met ingang van 1 maart 2001 van rechtswege benoemd was als ambtenaar in algemene dienst van het Rijk. Voorts is appellant meegedeeld dat door zijn indiensttreding bij LNV zijn benoeming bij de Belastingdienst is komen te vervallen. Bij besluit van 23 juli 2002 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 maart 2001 ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 mei 2003 het beroep tegen het besluit van

23 juli 2002 gegrond verklaard, dat besluit en de besluiten van 8 maart 2001 en 20 november 2001 vernietigd, bepaald dat die uitspraak in zoverre in de plaats treedt van deze besluiten en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op appellants verzoek om IF en een terugkeergarantie, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

2.4. Bij besluit van 29 juli 2003, gehandhaafd bij besluit van 27 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit), heeft de minister het verzoek van appellant om IF en een terugkeergarantie opnieuw afgewezen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. Het geschil tussen partijen betreft nog slechts de weigering van de minister om appellant in aanmerking te laten komen voor IF en om hem een terugkeergarantie te verlenen.

De beslissing van de minister ter zake berust op de gebruikmaking van een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat de rechterlijke toetsing terughoudend is en zich dient te beperken tot de beantwoording van de vraag of de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen en daarbij overigens niet heeft gehandeld in strijd met een algemeen rechtsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

4.2. Aan de afwijzing van appellants verzoek om IF is ten grondslag gelegd dat hij ten tijde van zijn verzoek nog in opleiding was voor de functie van groepsfunctionaris E, er een tekort bestond aan personen in deze functie, hij bij terugkeer de opleiding opnieuw zou moeten volgen en de functie bij LNV geen toegevoegde waarde had voor de vervulling van appellants functie bij de Belastingdienst. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het dienstbelang een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan het persoonlijk belang van appellant. Op grond van het vorenstaande is de minister van mening dat appellant ook niet voor de aan IF gekoppelde terugkeergarantie in aanmerking komt. Daarnaast is aangegeven dat een terugkeergarantie kan worden aangeboden bij vervulling van een proeftijd elders. Aangezien appellant geen proeftijd behoefde te vervullen bij LNV kan er volgens de minister om deze reden geen sprake zijn van het toekennen van een terugkeergarantie zonder IF.

4.3. Appellant heeft betwist dat hij bij terugkeer naar de Belastingdienst de opleiding voor de functie van groepsfunctionaris E opnieuw zou moeten volgen. Hij heeft hierbij gewezen op het modulaire systeem van deze opleiding waardoor onderdelen die hij reeds heeft behaald geldig blijven.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant de overige door de minister aan de afwijzing van het verzoek om IF en de daaraan gekoppelde terugkeergarantie ten grondslag gelegde redenen, welke hiervoor onder rechtsoverweging 4.2. zijn weergegeven, niet heeft betwist. Naar het oordeel van de Raad wegen deze redenen dusdanig zwaar ten opzichte van de persoonlijke belangen van appellant - te weten kortere reisafstand, leerzame periode en functie op HBO-niveau -, dat de minister in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Dat appellant bij zijn terugkeer naar de Belastingdienst wellicht niet de gehele opleiding voor groepsfunctionaris zou moeten volgen maakt het vorenstaande niet anders. Aangezien appellant heeft erkend dat hij bij LNV geen proeftijd behoefde te vervullen is de terugkeergarantie sec niet meer aan de orde.

4.5. De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn stelling dat er bij zijn vertrek sprake is geweest van onzorgvuldig handelen van de minister, welk handelen had moeten leiden tot afwijking van het door de minister ter zake van IF en terugkeergarantie gevoerde beleid. De Raad wijst er hierbij op dat appellant zelf heeft verzocht om ontslag uit zijn vaste aanstelling bij de Belastingdienst wegens het aanvaarden van een tijdelijke aanstelling bij LNV. Anders dan appellant meent behoefde de minister geen zorg te dragen voor een overplaatsingsbesluit nu er geen sprake is geweest van overeenstemming tussen de minister en LNV over de overgang van appellant als ambtenaar in vaste algemene dienst bij het Rijk naar LNV.

Appellant heeft het besluit van de minister op het tevens in zijn brief van 21 februari 2001 gedane verzoek om IF en een terugkeergarantie niet afgewacht, maar is reeds vóór

1 maart 2001 met ingang van 19 februari 2001 op zijn verzoek in tijdelijke dienst aangesteld bij LNV en werkzaamheden gaan verrichten voor dat ministerie. De gevolgen van de door appellant gemaakte keuze om een tijdelijke aanstelling te aanvaarden kunnen de minister niet worden aangerekend, maar dienen voor appellants rekening te komen.

4.6. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de minister heeft voldaan aan de opdracht die de rechtbank bij uitspraak van 21 mei 2003 aan hem heeft opgelegd. De Raad onderschrijft hetgeen dienaangaande in de aangevallen uitspraak is overwogen. Hetgeen overigens door appellant naar voren is gebracht - te weten dat de minister had behoren te onderzoeken of binnen zijn gezagsbereik of binnen het Rijk een passende functie voor appellant beschikbaar was en dat als gevolg van de vernietiging van het besluit van 20 november 2001 de benoeming van appellant bij de Belastingdienst nog altijd voortduurt - gaat de reikwijdte van het bestreden besluit te buiten zodat deze grieven geen bespreking behoeven.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en

A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) O.C. Boute.

HD

06.12