Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
05-4965 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om betrokkene een dienstverband voor onbepaalde tijd te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4965 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 juni 2005, 04/2063 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 21 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 05/4785 AW, plaatsgevonden op 23 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.J. van de Pas en drs. J.R. de Wolde, beiden werkzaam bij de Universiteit Utrecht (UU). Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Stové, werkzaam bij de Utrechtse Juristen Groep. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is per 1 november 1992 in tijdelijke dienst aangesteld als toegevoegd docent bij de faculteit Natuur- en Sterrenkunde van de UU. Tot 1 november 1997 is deze aanstelling drie maal verlengd. Met ingang van 1 november 1997 is betrokkene in tijdelijke dienst getreden bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek te ’s-Gravenhage (NWO) als projectmedewerker. Feitelijk bleef betrokkene werkzaam op dezelfde werkplek als voorheen. Nadat betrokkene per 1 januari 2001 ontslag was verleend bij de NWO is hij van 1 januari 2001 tot 1 juli 2002 door appellant aangesteld als postdoc/onderzoeker voor bepaalde tijd bij de faculteit Natuur- en Sterrenkunde. Deze aanstelling is verlengd tot 1 januari 2006.

1.2. Bij brief van 18 februari 2004 heeft betrokkene appellant verzocht om hem een dienstverband voor onbepaalde tijd te verlenen. Appellant heeft hierop afwijzend beslist op 7 mei 2004, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 augustus 2004.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de UU en de NWO naar de letter niet kunnen worden beschouwd als één en dezelfde werkgever als bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (NU). Echter, onder verwijzing naar de zogenoemde draaideurjurisprudentie van de Hoge Raad van 12 april 1996 (LJN ZC2034 en NJ 1997, 195) en 25 oktober 1996 (LJN ZC2179 en NJ 1997, 196) heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellant heeft gehandeld op een manier waardoor het dwingende recht van artikel 3.9 van de CAO NU op ontoelaatbare wijze wordt ontweken, nu betrokkene zijn werkzaamheden die naar aard dezelfde waren vanaf 1992, steeds op dezelfde werkplek heeft verricht. Appellant heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd of zich in dit geval objectieve omstandigheden voordoen die zijn handelwijze kunnen rechtvaardigen. De rechtbank heeft appellant opgedragen met een nadere motivering daarin goed inzicht te verschaffen.

2.1. De werking van de aangevallen uitspraak is op verzoek van appellant geschorst bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze Raad van 13 september 2005, nummer 05/4976 AW-VV.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn besluit geen ontwijking is van wettelijke bepalingen maar de letterlijke toepassing ervan. Die toepassing behoeft geen rechtvaardiging, omdat dit is wat van appellant wordt verwacht, anders gezegd - aldus appellant - de rechtvaardiging is gelegen in het rechtsgeldig toepassen van de geldende bepalingen. Uit die toepassing volgt dat de tijd doorgebracht bij de NWO niet moet worden meegerekend bij de berekening van de duur van de tijdelijke aanstellingen. Aldus bezien is in het geval van betrokkene niet voldaan aan de overschrijding van de maximale periode van 6 jaar als bedoeld in artikel 3.6 van de CAO NU.

3.2. In verweer heeft betrokkene niet ontkend dat in dit geval sprake is van twee verschillende werkgevers. Betrokkene meent echter dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, hier sprake is van een draaideurconstructie leidend tot ontduiking van de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 3.8 en 3.9. van de CAO NU, welke niet is toegestaan omdat betrokkene tijdens zijn aanstelling bij NWO dezelfde werkzaamheden bij de UU is blijven verrichten.

4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de ten tijde hier van belang geldende CAO NU kan met wetenschappelijk personeel een dienstverband voor bepaalde tijd op algemene grond worden aangegaan voor een periode van maximaal 6 jaar. Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de CAO NU geldt voor het bepalen van deze termijn slechts de diensttijd bij een en dezelfde werkgever, met een aantal hier niet van belang zijnde uitzonderingen. Ingevolge artikel 3.9, tweede lid, van de CAO NU wordt, indien na het verstrijken van de maximale duur van het dienstverband voor bepaalde tijd als hiervoor bedoeld de werk-nemer met kennelijke instemming van de werkgever de opgedragen werkzaamheden voortzet, vanaf dat tijdstip het dienstverband voor bepaalde tijd geacht omgezet te zijn in een dienstverband voor onbepaalde tijd.

4.2. Met partijen kan worden vastgesteld dat appellant en de NWO moeten worden aangemerkt als twee verschillende werkgevers. Nu betrokkene aanvankelijk - overigens nog niet onder de vigeur van de CAO NU en vóór de totstandkoming van Richtlijn 1999/70 EG inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - bij de UU was aangesteld van 1 november 1992 tot 1 november 1997 en nadien van 1 januari 2001 tot 1 januari 2006, moet worden geoordeeld dat de in artikel 3.6, eerste lid, van de CAO NU opgenomen maximale termijn niet is overschreden. Ook tijdens het dienstverband bij de NWO is die termijn niet overschreden.

4.3. Het geschil spitst zich dan toe op de vraag of de periode dat betrokkene was aangesteld bij de NWO, ondanks het bepaalde in het vierde lid van artikel 3.8 van de CAO NU voor de berekening moet worden meegerekend, omdat sprake was van een ontduiking van wettelijke bepalingen.

Vast staat dat betrokkene in dienst is gekomen bij de NWO, nadat een verzoek van prof. dr. J. Oerlemans om subsidie van zijn onderzoeksproject, door deze instelling was gehonoreerd. Vanaf dat moment droeg NWO zorg voor het beheer van het gefinancierde (para-) universitaire onderzoek en was de NWO verantwoordelijk voor de betaling van het salaris van betrokkene. Van de zijde van appellant is verklaard dat het in de jaren negentig gebruikelijk was dat wetenschappers via een dienstverband met en gefinancierd door de NWO te werk werden gesteld bij de universiteiten, reeds omdat de NWO niet over de daartoe benodigde onderzoeksfaciliteiten en werkplekken beschikt. Gelet hierop acht de Raad niet aannemelijk geworden dat appellant voor deze constructie van indiensttreding bij de NWO heeft gekozen enkel en alleen om op die wijze te voorkomen dat betrokkene als gevolg van het verstrijken van de termijn van 6 jaar in vaste dienst zou moeten worden genomen. Integendeel, zou betrokkene niet in dienst hebben kunnen komen bij de NWO, dan was hij op dat moment zonder werk geweest vanwege het ontbreken van financiële middelen. Na afloop van het dienstverband bij de NWO kon betrokkene weer worden aangesteld bij de UU, omdat daar inmiddels door het winnen van een prijs weer geld beschikbaar was gekomen, waardoor het onderzoek nog enige tijd kon worden voortgezet. Ook dat acht de Raad geen blijk geven van ontduiking, maar inherent aan het financieringssysteem van het wetenschappelijk onderzoek.

4.4. Appellant heeft er voorts naar het oordeel van de Raad terecht op gewezen dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en uitzend-constructies. Anders dan in dat artikel is in artikel 3.8, vierde lid, van de CAO NU expliciet bepaald dat sprake moet zijn van één en dezelfde werkgever. Voor de bijzondere universiteiten, waarvoor wel het BW van toepassing is, is de werking van artikel 7:668a van het BW op grond van het vijfde lid van dit artikel uitdrukkelijk uitgesloten. Hieruit leidt de Raad af dat van vergelijkbare situaties geen sprake kan zijn.

5. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaren. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 5 augustus 2004 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

HD

14.12.2006