Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
05-3642 AW en 06-2536 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is bij de wijze van inschaling van betrokken ambtenaar op goede gronden geen rekening gehouden met de toelage?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3642 AW en 06/2536 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2005, 04/2972 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 14 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 29 augustus 2005, 05/4744, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van appellant toepassing te geven aan artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 11 oktober 2005 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2006, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is met ingang van 19 september 2000 aangesteld als medewerker basispolitiezorg. Aan die functie is de rang van agent verbonden met een bezoldiging in schaal 6. Sedert 1 januari 2000 voert appellant het beleid dat een daartoe geschikt en bekwaam geachte medewerker basispolitiezorg, zodra hij twee jaar als zodanig heeft gewerkt, bij wijze van proef voor één jaar wordt geplaatst in de functie van generalist. Aan die functie is de rang van hoofdagent met bezoldiging in schaal 7 verbonden.

De medewerker die voor een jaar op proef als generalist werkzaam is, ontvangt gedurende dat jaar een toelage ter hoogte van het verschil tussen zijn salaris in schaal 6 en het salaris in schaal 7 dat hij zou hebben ontvangen als hij bij de ingang van de proef-plaatsing zou zijn ingedeeld in schaal 7. De medewerker die in dat proefjaar ervan blijk geeft dat hij bekwaam en geschikt is de functie van generalist te vervullen, wordt, mits hij inmiddels in het bezit is van het certificaat generalist, direct na afloop van dat jaar (definitief) geplaatst in de functie van generalist en ingedeeld in schaal 7. In dat geval vindt die inschaling plaats op het naast hogere bedrag ten opzichte van het laatst geldende salaris vermeerderd met de toelage. Omdat alsdan bij de inschaling rekening is gehouden met de toelage, komt dit neer op een extra periodiek.

1.2. Overeenkomstig het hier beschreven beleid is betrokkene, die op dat moment werd bezoldigd naar schaal 6, salarisnummer 3, bij besluit van 26 september 2002 met ingang van 19 september 2002 bij wijze van proef voor een jaar geplaatst als generalist en is hem over de periode 19 september 2002 tot 19 september 2003 een persoonlijke toelage toegekend naar schaal 7. Deze toelage is tot 1 september 2003 vastgesteld op het verschil tussen schaal 6, salarisnummer 3 en schaal 7, salarisnummer 3 en - in verband met het passeren van een periodiekdatum - vanaf 1 september 2003 tot 19 september 2003, op het verschil tussen schaal 6, salarisnummer 4 en schaal 7, salarisnummer 4.

1.3. Op 18 november 2003 heeft betrokkene het generalistencertificaat behaald. In verband daarmee is hij bij besluit van 5 januari 2004 met ingang van 18 november 2003 aangesteld in de functie van generalist en bevorderd naar schaal 7. Betrokkene is daarbij, uitgaande van salariëring volgens schaal 6, salarisnummer 4, overeenkomstig artikel 10 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) ingeschaald in het naast hogere bedrag in schaal 7, zijnde salarisnummer 3.

Appellant heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 juni 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen. De rechtbank was van oordeel dat de door appellant gehanteerde regeling ter zake van toekenning van de tijdelijke toelage en het doorwerken daarvan in de nieuwe bezoldiging in schaal 7 (slechts) bij het behalen van het generalistencertificaat binnen een jaar, niet voldoende bekend was gemaakt. Nu betrokkenes inschaling ten gevolge van dit niet kenbare beleid twee periodieken lager ligt dan die van collega’s die wel binnen het jaar waarin de toelage was toegekend het certificaat hebben behaald en deze lagere inschaling nog jarenlang doorwerkt, was de rechtbank van oordeel dat appellant niet in redelijkheid de indeling in schaal 7, salarisnummer 3 heeft kunnen handhaven.

3. Naar aanleiding van hetgeen is aangevoerd in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbp wordt bij indeling van de ambtenaar in een schaal met een hoger maximumsalaris, met inachtneming van artikel 11 van het Bbp, het salaris van de ambtenaar in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal heeft genoten dan wel zou hebben genoten. Dit lijdt uitzondering indien de uit zodanige vaststelling voort-vloeiende salarisverhoging minder zou bedragen dan een periodieke verhoging in de oude salarisschaal. In dat geval wordt het salaris vastgesteld op het naast hogere bedrag in de nieuwe salarisschaal.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het salaris in bijzondere gevallen op een hoger bedrag kan worden vastgesteld in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.

3.2. De onder punt 1.1. beschreven wijze van inschaling, voor zover inhoudend dat bij de bevordering tot generalist mede rekening wordt gehouden met de toelage die de ambtenaar onmiddellijk daaraan voorafgaand ontvangt wegens het feitelijk verrichten van de aan de functie van generalist verbonden werkzaamheden, vormt een uitzondering op de in artikel 10, eerste lid, van het Bbp neergelegde hoofdregel.

3.3. Appellant heeft betrokkene bij zijn bevordering per 18 november 2003 overeen-komstig de hoofdregel van artikel 10, eerste lid, van het Bbp, in salarisschaal 7 ingeschaald op het naast hogere bedrag ten opzichte van het laatstgenoten - tussen

19 september 2003 en 18 november 2003 - salaris in schaal 6, zonder rekening te houden met de tot 19 september 2003 genoten toelage.

Betrokkene acht dit laatste onjuist en maakt alsnog aanspraak op inbouw van de toelage in zijn nieuwe salaris.

3.4. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat betrokkene niet heeft voldaan aan de in het beleid geformuleerde voorwaarden om voor inbouw van de toelage in zijn salaris in aanmerking te komen. Niet in geschil is immers dat betrokkene het certificaat generalist niet binnen de daarvoor gestelde termijn van een jaar heeft behaald.

3.5. De stelling van betrokkene dat hij de inhoud van het beleid niet kon kennen, omdat appellant daaraan niet op deugdelijke wijze bekendheid heeft gegeven, treft geen doel. In de publicatie van de Nieuwsbrief arbeidsvoorwaarden is een onmiskenbare koppeling gelegd tussen het gedurende een jaar vervullen van de werkzaamheden als generalist, het aan het einde van die periode beschikken over het certificaat generalist en het alsdan in aanmerking komen voor bevordering en inbouw van de toelage. Betrokkene heeft hieruit redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat inbouw slechts zou plaatsvinden indien hij het certificaat binnen een jaar na de proefplaatsing zou behalen. Dat appellant niet uitdrukkelijk heeft aangegeven dat bij overschrijding van deze termijn de toelage niet zou worden ingebouwd, maakt dit niet anders. Dit volgt immers reeds uit het feit dat in dat geval niet aan de voorwaarden van het begunstigende beleid is voldaan, zodat op de hoofdregel van artikel 10, eerste lid, van het Bbp moet worden teruggevallen.

3.6. Voor zover betrokkene staande wil houden dat hij van de publicatie van het beleid geen kennis heeft kunnen nemen, wijst de Raad erop dat de toelage bij het besluit van

26 september 2002 uitdrukkelijk is toegekend voor het tijdvak van 19 september 2002 tot 19 september 2003. Derhalve was de toelage reeds geëindigd toen betrokkene op

18 november 2003 zijn certificaat generalist behaalde en daarmee alsnog aan de vereisten voor bevordering ging voldoen. Ook om die reden kon en moest betrokkene begrijpen dat er ten tijde van zijn bevordering geen aanleiding meer bestond om de toelage in het salaris in te bouwen. Dat betrokkene in verband met wisselende bedragen aan onregelmatigheidstoeslag, zoals hij ter zitting heeft betoogd, niet heeft onderkend dat de toelage na ommekomst van een jaar was geëindigd, vormt een omstandigheid die voor rekening van betrokkene moet worden gelaten.

3.7. Betrokkene heeft geen (bijzondere) feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan appellant te zijnen gunste van het beleid had moeten afwijken.

3.8. Uit het vorenstaande volgt dat appellant betrokkene op goede gronden conform de hoofdregel van artikel 10, eerste lid, van het Bbp heeft ingeschaald. De wijze waarop dit is geschied, is verder niet in geschil.

3.9. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep wordt mitsdien ongegrond verklaard.

3.10. Nu de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het beroep ongegrond wordt verklaard, is er voor een nieuw besluit op bezwaar geen plaats meer. Daarmee komt de grondslag aan het nieuwe besluit van

11 oktober 2005 te ontvallen, zodat ook dit besluit dient te worden vernietigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit van 17 juni 2004 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 11 oktober 2005.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

HD

11.12