Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
06-370 NIOAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene zijn arbeid in bedrijf of beroep heeft hervat. Intrekking en terugvordering IOAZ-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/370 NIOAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 december 2005, 05/32 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.H. Groothuis, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 20 april 2000 heeft het College aan appellant een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen

(Ioaz) toegekend met ingang van het moment waarop appellant zijn bedrijf, een fotozaak, heeft beëindigd. Bij besluit van 26 mei 2000 heeft het College die uitkering, naar de norm voor gehuwden, met ingang van 25 april 2000 toegekend. Appellant heeft per die datum zijn bedrijf beëindigd en doen uitschrijven bij de Kamer van Koophandel.

In het kader van een op verzoek van het College op 10 juli 2000 door het IMK Intermediair (hierna: IMK) ingesteld onderzoek naar het vermogen van appellant in verband met de definitieve afrekening van eerder ingevolge de Algemene bijstandswet aan appellant als zelfstandige verleende bijstand, is het IMK gebleken dat appellant nog steeds in zijn bedrijfsruimte werkzaam is en nog altijd de naam [naam bedrijf] gebruikt. Voorts is aangegeven dat appellant heeft gemeld dat hij thans in loondienst werkzaam is bij een bedrijf [naam bedrijf 2].

In oktober 2000 is vanwege het College een nader onderzoek ingesteld. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 november 2000.

De bevindingen van het IMK van 10 juli 2000 alsmede de bevindingen van het ambtelijke onderzoek zoals neergelegd in het rapport van 1 november 2000 zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 14 december 2000 het recht op Ioaz-uitkering met ingang van 25 april 2000 in te trekken. Het College heeft daartoe onder verwijzing naar artikel 6, eerste lid, van de Ioaz overwogen dat appellant zijn activiteiten als zelfstandige niet heeft beëindigd.

Bij besluit van eveneens 14 december 2000 heeft het College de over de periode vanaf

25 april 2000 tot 1 november 2000 aan appellant verleende uitkering van hem

teruggevorderd.

Vervolgens is aan appellant met ingang van 30 oktober 2000 wederom een uitkering ingevolge de Ioaz toegekend. Appellant heeft zich per die datum laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en aangegeven dat er in de Ltd. geen activiteiten meer worden ondernomen en dat het reclamemateriaal van het bedrijfspand zo goed als volledig is verwijderd.

Bij besluit van 26 april 2001 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van

14 december 2000 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe - samengevat - overwogen dat met het oprichten van [naam bedrijf 2]. feitelijk een voortzetting van het voormalige bedrijf [naam bedrijf] is gerealiseerd. Appellant heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz. Voorts heeft het College de intrekking van de uitkering beperkt tot de periode van 25 april 2000 tot 30 oktober 2000.

Bij uitspraak van 10 maart 2003 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 26 april 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 14 december 2000 niet-ontvankelijk verklaard en - met beslissingen omtrent proceskosten en griffierecht - bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

De Raad heeft bij uitspraak van 30 november 2004 de uitspraak van de rechtbank van

10 maart 2003 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank

teruggewezen.

Vervolgens heeft de rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak van 20 december 2005

het beroep van appellant tegen het besluit van 26 april 2001 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz heeft de gewezen zelfstandige die zelf dan wel van wie de echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt geen recht op uitkering.

Of sprake is van het hervatten of het aanvangen van de arbeid in bedrijf of beroep wordt bepaald door de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De formele constructie van de wijze waarop die arbeid wordt verricht of het beroep wordt uitgeoefend is hierbij derhalve niet doorslaggevend.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant zijn arbeid in bedrijf of beroep heeft hervat of aangevangen als bedoeld in evengenoemde bepaling.

De Raad heeft daartoe het volgende van belang geacht.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat [naam bedrijf 2]. op 21 juli 1999 is opgericht. Vervolgens is deze onderneming op 17 april 2000 onder de handelsnaam Photo Centre Alkmaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met als vestigingsadres het woonadres van appellanten en waarbij appellant is vermeld als alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder. Vaststaat dat de Ltd. voorafgaande aan 17 april 2000 geen activiteiten in de fotobranche heeft ontplooid. Voorts blijkt uit de informatie van het IMK, zoals opgenomen in het rapport van 10 juli 2000 alsmede uit het ambtelijk rapport van 1 november 2000, welk laatste rapport is tot stand gekomen na een bezoek aan het pand waar de Ltd. is gevestigd, dat appellant in het bedrijfspand waarin eerst zijn eenmanszaak met min of meer dezelfde naam was gevestigd, activiteiten op fotografisch gebied verrichtte.

Appellant heeft aangevoerd dat hij bij de Ltd. in loondienst was, maar met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hiervan op geen enkele wijze is gebleken.

Dat appellant, zoals hij nog heeft aangevoerd, geen loon had ontvangen omdat er alleen nog maar verlies was geleden en dat zijn bezigheden voorts louter een hobbymatig karakter droegen, komt zoals ook de rechtbank al had geconstateerd niet overeen met de ook door appellant ingenomen stelling dat hij in het geheel geen werkzaamheden op fotografisch gebied heeft verricht.

Appellant heeft het College van een en ander in strijd met de op hem ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaz rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan. Die gegevens waren voor het recht op uitkering van appellant onmiskenbaar van belang omdat ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz de gewezen zelfstandige geen recht op uitkering heeft indien hij zelf dan wel indien zijn echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt. Als gevolg van deze schending is aan appellant ten onrechte uitkering verleend.

Gelet hierop was het College gehouden om het recht op uitkering van appellant over de hiervoor vermelde periode met toepassing van artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaz in te trekken.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de Ioaz om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Hiermee is tevens gegeven dat met betrekking tot de periode van 25 april 2000 tot

30 oktober 2000 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Ioaz

De Raad is evenmin gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaz om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Ter zitting van de Raad heeft appellant aangevoerd dat de duur van de rechterlijke procedure zodanig lang is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad stelt vast dat gelet op de totale duur van de rechterlijke procedure te weten van 29 mei 2001, de datum waarop appellant tegen het besluit van 26 april 2001 bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, tot heden, mede gelet op de aard van de procedure en de proceshouding van appellant, sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Voor de vaststelling van aan een dergelijke schending verbonden gevolgen zal appellant zich tot de burgerlijke rechter dienen te wenden. De Raad verwijst in dit verband onder meer naar zijn uitspraak van

4 juli 2003, LJN AI0140.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Nu het hoger beroep niet slaagt is voor een veroordeling tot vergoeding van de door appellant als gevolg van het besluit van 26 april 2001 beweerdelijk geleden materiële schade geen ruimte. Het verzoek daartoe dient daarom te worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en

L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

RB2411