Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
05-4302 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid appellant ontslag te verlenen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4302 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 mei 2005, 04/159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: college)

Datum uitspraak: 21 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Floor, werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. de Weerdt, advocaat te Leiden, en A. Pelt, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1972 werkzaam bij de gemeente Leiden als opzichter, later hoofdopzichter bij de Dienst der Gemeentewerken. In verband met een reorganisatie is appellant met ingang van 1 april 1993 aangesteld in de functie van tekenaar-constructeur/ opzichter bij het Ingenieursbureau van de dienst Bouwen en Wonen. Bij een herstructure-ring van het Ingenieursbureau is appellant bij besluit van 25 september 2000 met ingang van 1 oktober 2000 benoemd tot civieltechnisch medewerker. Zijn werkzaamheden bleven ongewijzigd. Vanaf september 1994 is appellant gedurende lange perioden geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt geweest.

1.2. Medio juli 2002 heeft het college het bericht ontvangen dat aan appellant met ingang van 2 juli 2001 een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35, is toegekend, welke echter met ingang van 1 november 2001 weer is ingetrokken, omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Het college achtte terugkeer van appellant in zijn functie niet mogelijk, omdat appellant op andere dan medische gronden ongeschikt was voor deze functie. Aangezien er volgens het college geen andere, wel passende functie aanwezig was, is appellant bij besluit van

31 januari 2003 per 1 april 2003 met toepassing van artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaar-denregeling Leiden (hierna: Arbeidsvoorwaardenregeling) ontslagen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 1 december 2003.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat van meet af aan duidelijk is geweest dat de functie, waarin hij na de reorganisatie in 1993 werd geplaatst, niet passend was. Sedert zijn uitvallen in september 1994 is appellant feitelijk ook niet meer in deze functie werkzaam geweest, maar heeft hij uitsluitend aangepast of ander werk verricht, deels op arbeidstherapeutische basis. Nu appellant al zo lang geen reguliere functie meer heeft vervuld, kon hij daaruit niet worden ontslagen. Voorts heeft appellant betoogd, dat het college voorafgaand aan het ontslagbesluit geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft ingesteld.

3.2. Het college heeft tegen deze grieven gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.2. De Raad stelt voorop dat appellant destijds geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het plaatsingsbesluit uit 1993, en evenmin tijdig een beroep heeft gedaan op artikel 5, zesde lid, van het Sociaal Statuut 1992-1996 dat voorziet in de mogelijkheid van hernieuwde plaatsing op de centrale herplaatsingslijst indien binnen één jaar na herplaatsing de werkzaamheden op de nieuwe arbeidsplaats door de werknemer toch niet passend worden gevonden. Genoemd besluit en het benoemingsbesluit van 25 september 2000 staan dus in rechte vast.

4.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel, dat appellant ongeschikt is gebleken voor de functie van civieltechnisch medewerker. Het college was dan ook bevoegd appellant op die grond te ontslaan.

4.4. De omstandigheid dat appellant zoals hij stelt jarenlang niet werkzaam is geweest in deze functie staat onder de gegeven omstandigheden aan de uitoefening van deze ontslagbevoegdheid niet in de weg. Uit de gedingstukken blijkt dat van meet af aan duidelijk was dat appellant voor een goede uitoefening van de functie waarin hij in 1993 werd geplaatst en die in 2000 een andere benaming kreeg, bijscholing nodig had. De functie had aldus passend moeten worden, wat naar het oordeel van de Raad niet bij voorbaat uitgesloten was. Uit de stukken blijkt genoegzaam dat het college appellant voldoende scholingsmogelijkheden heeft geboden en hem geregeld heeft aangesproken op de afspraken die daarover waren gemaakt. Dat appellant de hem geboden mogelijkheden niet of onvoldoende heeft benut, ligt ten dele aan zijn veelvuldige afwezigheid wegens ziekte en aan andere persoonlijke omstandigheden, waarvan hem geen verwijt kan worden gemaakt. De Raad oordeelt echter dat er ook perioden zijn geweest waarin meer initiatief van appellant had mogen worden verwacht om aan de functie-eisen te gaan voldoen. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het college de functie van civieltechnisch medewerker terecht heeft aangemerkt als appellants betrekking als bedoeld in artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling.

4.5. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college op grond van de omstandigheden van het geval, waaronder zijn langdurig dienstverband en de lange perioden van arbeidsongeschiktheid van appellant, gehouden was een herplaatsings-onderzoek te doen verrichten alvorens hij in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid appellant te ontslaan. De Raad heeft moeten constateren dat de gedingstukken maar weinig informatie geven over het verrichte onderzoek. Zo ontbreekt een overzicht van welke mogelijke functies in ogenschouw zijn genomen. Niettemin is de Raad, mede op grond van hetgeen namens het college ter zitting van de Raad is betoogd, van oordeel dat het herplaatsingsonderzoek in de gegeven situatie niet onvoldoende is geweest. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking, dat appellant desgevraagd zelf ook niet heeft kunnen aangeven welke andere passende functie voor hem beschikbaar was. Appellant bleef gericht op zijn oude werk van opzichter verhardingen, dat inmiddels niet meer als afzonderlijke functie bij de gemeente voorhanden was, en heeft ook geen initiatief genomen om een andere functie te verwerven. Het college heeft derhalve in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid appellant ontslag te verlenen.

5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en

A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) O.C. Boute.

HD

11.12