Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
05-6887 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond, Termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6887 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 oktober 2005, 05/1599

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 17 maart 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 17 maart 2006 heeft appellant verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006 waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 17 maart 2006 berust hierop, dat het hoger-beroepschrift, gedateerd 23 november 2005, op 29 november 2005 door de Raad is ontvangen en dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit hoger-beroepschrift binnen de daartoe gestelde hoger beroepstermijn van zes weken, te weten uiterlijk op 23 november 2005 ter post is aangeboden.

In het verzetschrift heeft appellant aangegeven dat het hoger beroepschrift wel binnen zes weken is ingediend. Appellant heeft een afschrift van het beroepschrift van

23 november 2005 bijgevoegd.

Ter zitting heeft het Uwv meegedeeld niets aan de uitspraak van de Raad toe te willen voegen.

De Raad oordeelt als volgt.

De termijn voor het instellen van hoger beroep vangt aan met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak is verzonden en het beroepschrift wordt geacht tijdig te zijn ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Wanneer die termijn is overschreden, zoals in casu, is het aan de indiener van het beroepschrift om aan te tonen dat te zijnen aanzien sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 6:9, lid 2, of artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor het aantonen daarvan kan een leesbaar poststempel of een bewijs van aangetekende verzending dienstig zijn. Wanneer een dergelijk bewijs niet kan worden geleverd, zoals in casu, wordt overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Raad het bestaan van een uitzonderingssituatie als bovengenoemd niet zonder ander overtuigend bewijs aangenomen. In die zin is het ontbreken van een leesbaar poststempel of van een bewijs van aangetekende verzending voor risico van de indiener van het beroepschrift.

De Raad is tevens van oordeel dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift op 23 november 2005 ter post is verzonden.

De Raad is niet gebleken van omstandigheden welke grond vormen het overschrijden van de beroepstermijn verschoonbaar te achten.

Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en M.M. van der Kade en T.L. de Vries als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) S. Sweep.

SSw