Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
05-921 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is ten onrechte de wachtgelduitkering gedurende de periode van de bijzondere verlenging op (slechts) 40% van de laatstgenoten bezoldiging vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/921 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 december 2004, 04/656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 14 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Noort, verbonden aan Vijverberg Juristen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was vanaf 1983 in dienst bij het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) te ’s-Gravenhage. Na vooroverleg en met haar instemming is aan appellante per 1 oktober 1997 ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Voorafgaande aan de ontslagverlening is op 8 augustus 1997 een berekening van de hoogte en de duur van de aan het ontslag verbonden wachtgeld-uitkering opgesteld en aan appellante voorgelegd. Volgens die berekening bedraagt de duur van de uitkering negen jaar, zeven maanden en zesentwintig dagen en bestaat na deze periode recht op een bijzondere verlenging van de uitkering tot de datum van ingang van het ouderdomspensioen.

1.2. In november 1997 heeft de (rechtsvoorganger van de) Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) in zijn hoedanigheid van uitvoerder van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB) de duur van het wachtgeld vastgesteld op vijf jaar, vijf maanden en zeventien dagen en tevens bepaald dat appellante gelet op de toepasselijke bepalingen van het RWB geen aanspraak heeft op bijzondere verlenging van het wachtgeld.

1.3. Bij brief van 18 februari 1998 heeft de minister erkend dat appellante als gevolg van een onjuiste voorlichting door de minister geen goede beslissing ten aanzien van haar ontslag heeft kunnen maken. Op grond daarvan heeft de minister appellante de garantie gegeven dat de door haar geleden schade zal worden hersteld, in die zin dat de wachtgeld-uitkering niettemin zal worden uitbetaald overeenkomstig de berekening van 8 augustus 1997. Bij brief van 19 februari 2003 heeft de minister de Minister van BZK verzocht tot betaling van de wachtgelduitkering aan appellante in vorenbedoelde zin over te gaan.

1.4. Bij brief van 10 maart 2003 heeft de Minister van BZK aan appellante onder meer meegedeeld dat het aan haar toegekende wachtgeld over het tijdvak van 27 mei 2007 tot

1 december 2010 is vastgesteld op 40% van de laatstgenoten bezoldiging.

Naar aanleiding van deze brief heeft appellante de minister verzocht het percentage van 40 in heroverweging te nemen. Zij heeft daartoe gesteld dat haar ten tijde van het ontslag de toezegging is gedaan dat de wachtgelduitkering ook gedurende de bijzondere verlenging 70% van de laatstgenoten bezoldiging zou bedragen.

1.5. Bij besluit van 8 augustus 2003 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 5 januari 2004 heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 januari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, naar voren gebracht dat ten onrechte de wachtgelduitkering gedurende de periode van de bijzondere verlenging van 27 mei 2007 tot 1 december 2010 op (slechts) 40% van de laatstgenoten bezoldiging is vastgesteld, aangezien haar ten tijde van het ontslag door P&O-functionaris B (hierna: B) was toegezegd dat zij tot aan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een uitkering ter hoogte van 70% van de laatstgenoten bezoldiging zou ontvangen.

3.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gedingstukken niet valt af te leiden dat de berekening van 8 augustus 1997 het resultaat is van een tussen partijen gesloten overeenkomst. De Raad acht het gelet op de in die berekening gehanteerde bewoordingen en berekeningsmaatstaf, die nauw aansluiten bij de systematiek van het RWB, niet aannemelijk dat de besprekingen voorafgaande aan het ontslag waren gericht op het treffen van een beëindigingsregeling. De Raad neemt daarbij verder nog in aanmerking, dat indien daadwerkelijk zou zijn beoogd aan appellante van de RWB-systematiek afwijkende aanspraken toe te kennen, het voor de hand had gelegen afspraken daaromtrent schriftelijk vast te leggen. Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de besprekingen voorafgaande aan het ontslag juist - en uitsluitend - ten doel hebben gehad appellante te informeren over de hoogte en duur van wachtgeldaanspraken zoals deze golden op de voet van het RWB. De berekening van 8 augustus 1997 moet, gelet ook op de vermelding aan het slot dat aan de opgave geen rechten kunnen worden ontleend, worden geacht in dat kader uitsluitend als rekenvoorbeeld te hebben gediend.

4.2. De Raad ziet in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van B, die blijkens het besluit van 8 augustus 2003 bij navraag nadrukkelijk heeft ontkend dat zij de door appellante gestelde toezegging heeft gedaan. Appellante heeft ook in hoger beroep geen verifieerbare gegevens overgelegd die haar standpunt onderbouwen. In aanmerking genomen voorts dat ter zitting namens de minister onweersproken is gesteld dat B niet bevoegd was om dergelijke toezeggingen te doen, kan de ter zitting door de echtgenoot van appellante nog afgelegde verklaring onvoldoende gewicht in de schaal leggen om aan te nemen dat door het bevoegde gezag een toezegging in de door appellante bedoelde zin is gedaan.

4.3. De Raad stelt vast dat appellante op grond van artikel 6a, vierde lid, van het RWB zoals deze bepaling ten tijde van (de besprekingen omtrent) het ontslag luidde, in het geheel niet in aanmerking kwam voor een verlengde uitkering. De Raad acht het op de door de rechtbank genoemde gronden aannemelijk dat de minister bij de voorlichting aan appellante is uitgegaan van op dat moment al niet meer geldende bepalingen van het RWB, ingevolge welke bepalingen een verlengde uitkering wel mogelijk zou zijn geweest en het percentage van dit verlengde wachtgeld 40 bedroeg. De handelwijze van de minister, waarbij deze de niet meer geldende bepalingen van het RWB onverkort op appellante heeft toegepast, met inbegrip van het daarin genoemde percentage van 40 voor het verlengde wachtgeld, kan de Raad, evenals de rechtbank, niet voor onjuist houden.

5. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

11.12