Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
05-5044 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2005:AU5095, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het CWI terecht geweigerd betrokkene in te schrijven als werkzoekende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5044 WW (Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2005, 04/2737 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI).

Datum uitspraak: 6 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het CWI heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien heeft appellant nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006. Namens appellant is als zijn gemachtigde verschenen mr. drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam. Het CWI heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Özkanli, werkzaam bij de Centrale organisatie werk en inkomen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet suwi) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant, die de Kaapverdiaanse nationaliteit bezit, heeft gedurende een aantal jaren op Nederlandse zeeschepen gewerkt. Op 6 mei 2004 heeft hij zich bij het Centrum voor Werk en Inkomen te Rotterdam gemeld met het verzoek hem als werkzoekende in te schrijven. Bij besluit van dezelfde datum is dat verzoek afgewezen omdat appellant geen geldige vergunning tot verblijf kon overleggen, hetgeen op grond van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet suwi vereist is.

2.2. Appellant heeft op 13 september 2004 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het CWI op het door hem tegen het besluit van 6 mei 2004 gemaakte bezwaar.

2.3. Hangende dit beroep heeft het CWI op 7 december 2004 een besluit op bezwaar genomen waarbij de afwijzing van het verzoek tot inschrijving als werkzoekende is gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat het onomstreden is dat appellant op grond van artikel 25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet suwi, juncto artikel 2.1 van het Besluit suwi geen recht heeft op inschrijving als werkzoekende. Voorts heeft het CWI gesteld dat hij niet kan en mag treden in het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) te verstrekken ondanks het feit dat appellant zich niet kan inschrijven bij het CWI, omdat het CWI uitsluitend is gehouden aan de Wet suwi en het Besluit suwi.

2.4. De rechtbank heeft het ingestelde beroep met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 7 december 2004 (hierna: het bestreden besluit).

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het CWI in dat verband veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 80,50. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant niet behoort tot de categorieën personen genoemd in artikel 25, eerste lid, van de Wet suwi in samenhang met artikel 2.1 van het Besluit suwi, zodat uit die bepalingen voortvloeit dat appellant niet het recht toekomt zich door het CWI als werkzoekende te laten registreren. Voor zover appellant heeft betoogd om artikel 25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet suwi -zijnde een bepaling in een wet in formele zin- vanwege strijd met de verplichte aangifte van werkloosheid als bedoeld in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW buiten toepassing of zelfs onverbindend te laten verklaren, heeft de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, LJN AD5725, NJ 98,469, AB 1989,207, overwogen dat deze bevoegdheid haar niet toekomt.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daarbij heeft hij gesteld dat de rechtbank het CWI ten onrechte niet tevens heeft veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij zich inhoudelijk niet kan verenigen met de aangevallen uitspraak, omdat hij een WW-uitkering ontvangt doch dit recht, gelet op artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW slechts kan effectueren indien hij zich kan laten registreren als werkzoekende bij het CWI, alsmede dat hij, nu hem ten onrechte inschrijving als werkzoekende is geweigerd, schade heeft geleden doordat hij reïntegratieinspanningen van het CWI is misgelopen. Bovendien heeft hij betoogd dat de gemeente Rotterdam ten onrechte heeft nagelaten een sticker “verblijfsvergunning algemeen” in zijn reisdocument te plakken, die volgens hem als een vergunning als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet suwi dient te worden aangemerkt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het CWI terecht heeft geweigerd appellant in te schrijven als werkzoekende.

5.2. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.3. Artikel 25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet suwi bepaalt dat het recht om zich als werkzoekende door het CWI te laten registreren toekomt aan vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning, die is voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

5.4. De Raad stelt vast dat, hoewel appellant ten tijde van het doen van zijn aanvraag om inschrijving bij het CWI niet beschikte over een verblijfstitel als hiervoor bedoeld, zodat hij niet behoorde tot de categorie personen die aan artikel 25 van de Wet suwi het recht op inschrijving als werkzoekende kon ontlenen, naderhand door de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend tot 3 juni 2004, geldig tot 3 juni 2006, onder de beperking ‘het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouw-installatie op het Nederlands deel van het continentaal plat’. Op basis van deze verblijfstitel heeft het CWI, beslissend op een op 31 januari 2006 gedane melding, appellant met ingang van 31 januari 2006 ingeschreven als werkzoekende.

5.5. Nu achteraf is komen vast te staan dat appellant met ingang van 3 juni 2004 voldeed aan de in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet suwi neergelegde voorwaarde voor het zich laten registreren als werkzoekende door het CWI, kwam hem met ingang van deze datum dit recht toe. Het bestreden besluit berust dan ook in zoverre op een onjuiste wettelijke grondslag, zodat het ten onrechte door de rechtbank in stand is gelaten. Deze uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

5.6. Gelet op hetgeen de Raad zal beslissen over de vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg, kan de Raad appellants grief daaromtrent onbesproken laten.

5.7. Het CWI zal opnieuw op de bezwaren van appellant dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De Raad acht termen aanwezig om het CWI met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door appellant in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,--, alsmede in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, in totaal derhalve € 1.932,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen opnieuw op de bezwaren van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Centrale organisatie voor werk en inkomen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de Centrale organisatie voor werk en inkomen;

Bepaalt dat de Centrale organisatie voor werk en inkomen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 239,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.

RH

04/12