Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
04-6912 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2004:AR5913, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek pré-VUT; ontslagverzoek. Wegens het uitblijven van het verzoek heeft het College geoordeeld dat betrokkene geacht wordt een zodanig verzoek te hebben ingediend en is hem ontslag verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 26
TAR 2007/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6912 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2004, 01/1942 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rozenburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het College is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Namens appellant is verschenen J.H. Peper, wonende te Rotterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Zanten, verbonden aan CAPRA.

Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord mr. Y.I.B. Samuels, vertrouwenspersoon van appellant.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als chef afdeling [afdeling] bij de gemeente Rozenburg. In het kader van een reorganisatie is in 1989 zijn functie opgeheven. Aangezien het College geen mogelijkheden zag appellant een andere passende functie aan te bieden, is hem bij brief van 10 november 1989 het besluit meegedeeld hem buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging te verlenen onder, onder meer, de voorwaarde dat hij van de eerst aanwezige mogelijkheid van vrijwillig uittreden op grond van de VUT gebruik zal maken. Appellant heeft met dit besluit en de daaraan verbonden voorwaarden (hierna ook: overeenkomst) bij brief van 14 november 1989 ingestemd.

1.2. In vervolg daarop heeft het College appellant bij brief van 24 augustus 1998 bericht dat hij met ingang van 1 juni 1999 gebruik kan maken van de pré-VUT-regeling dan wel met ingang van 1 juni 2000 op basis van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden - die per 1 april 1997 de VUT-regeling vervangt - vervroegd kan uittreden. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij brief van 10 januari 1999 aangegeven de mogelijkheid van pré-VUT in overweging te willen nemen, maar eerst nadere informatie te willen ontvangen over alle, ook financiële, consequenties die daaraan voor hem verbonden zijn.

Het College heeft vervolgens bij brief van 23 juni 1999 uitleg gegeven over de twee mogelijkheden tot vervroegde uittreding en appellant verzocht met het oog op de pré-VUT een ontslagverzoek in te dienen. Wegens het uitblijven van dat verzoek heeft het College geoordeeld dat appellant geacht wordt een zodanig verzoek te hebben ingediend en is appellant bij besluit van 8 november 1999 met ingang van 1 december 1999 ontslag verleend.

1.3. Naar aanleiding van het tegen dit besluit van 8 november 1999 gerichte bezwaar-schrift heeft de Raad in zijn uitspraak van 12 juni 2003 (01/2009 AW en 01/2219 AW) geoordeeld dat - anders dan het College in zijn besluit op bezwaar van 4 februari 2000 had geoordeeld - appellant hiermee niet heeft beoogd alsnog een bezwaarschrift in te dienen tegen (de gang van zaken met betrekking tot) het besluit van 10 november 1989 tot verlening van buitengewoon verlof. De strekking van de onderhavige grief van appellant was volgens de Raad dat het College hem bij het ontslagbesluit van 8 november 1999 niet aan zijn in 1989 gegeven instemming met (de voorwaarden van) het buitengewoon verlof had mogen houden. Het College had die grief, tezamen met de in het (aanvullend) bezwaarschrift vermelde overige grieven, moeten betrekken bij de op het bezwaar tegen het ontslagbesluit genomen beslissing van 20 juli 2001. De Raad heeft het college opgedragen met inachtneming van zijn uitspraak opnieuw bij één besluit op alle in het bezwaar aangevoerde grieven te beslissen.

1.4. Ter uitvoering van genoemde uitspraak van de Raad heeft het College bij besluit op 19 mei 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen, voor zover nodig ter vervanging van het besluit op bezwaar van 20 juli 2001. Bij dat nieuwe besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit van 19 mei 2004 aangemerkt als een besluit waarbij het eerdere besluit van 20 juli 2001 is gewijzigd en heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.1. Appellant verwijst in hoger beroep allereerst naar al zijn eerder geuite grieven. Hij stelt voorts dat hem in de aangevallen uitspraak op diverse punten geen recht wordt gedaan, omdat de daaraan ten grondslag liggende informatie, verstrekt door het College, onvolledig of onjuist is. Zo blijkt uit het verslag van het tussen partijen gevoerde overleg onvoldoende dat appellant zich overvallen heeft gevoeld door de voorstellen van gemeentewege, waardoor geen sprake was van open overleg tussen twee gelijkwaardige partijen. De overeenkomst zou onder dwang tot stand zijn gekomen, terwijl appellant aan een forse depressie leed. Ter zitting van de Raad is door zijn gemachtigde en zijn vertrouwenspersoon verzocht om aanhouding van de zaak, om alsnog de bedrijfsarts van destijds als getuige op te roepen, en zo mogelijk tot een minnelijke beëindiging van het geding te komen.

3.2. Namens het College is gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1. De Raad heeft geen grond gezien voor uitstel van de behandeling ter zitting, dan wel heropening van de zaak na de zitting. Daartoe heeft de Raad overwogen dat hij reeds meermalen vanwege de verslechterende gezondheidstoestand van appellant heeft bewilligd in uitstel van de zitting. Van de zijde van het College is naar aanleiding van een verzoek om verder uitstel gewezen op het belang van een finale beslechting van het geding. Appellant heeft, mede als gevolg van het verleende uitstel, zeer ruim de gelegenheid gehad de nodige verklaringen te verzamelen, dan wel getuigen voor de zitting uit te nodigen. Hem is ook al namens het College herhaaldelijk verzocht bewijs te leveren voor zijn stelling dat hij ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst niet in staat was zijn wil te bepalen. Nu namens het College ter zitting is verklaard dat het college, na de eerder mislukte poging tot mediation, geen heil ziet in een nieuwe poging tot minnelijke beëindiging, zal de Raad thans komen tot een afdoening van het geding.

4.2. Wat betreft de omvang van het geding stelt de Raad, onder verwijzing naar hetgeen in zijn onder 1.3 genoemde uitspraak is overwogen, voorop dat thans nog uitsluitend in geding is of het College appellant mocht houden aan de overeenkomst van november 1989 en of het College met de bestreden besluiten op rechtens houdbare wijze uitvoering heeft gegeven aan deze overeenkomst. De grieven die betrekking hebben op de wijze waarop appellant bij de daaraan voorafgaande reorganisatie is behandeld, laat de Raad derhalve onbesproken.

4.3. De Raad stelt voorts vast dat de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat het geding tegen het besluit van 20 juli 2001 zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het onder 1.4 genoemde nader besluit van 19 mei 2004.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan de wijze van totstandkoming en aan de inhoud van de overeenkomst van november 1989 niet zodanige gebreken kleven dat het College appellant daar niet aan gebonden mocht achten. De rechtbank heeft daartoe met juistheid overwogen, dat niet gebleken is van ongeoorloofde pressie op appellant. Aan de totstandkoming van de overeenkomst is langdurig overleg, van maart 1989 tot november 1989, voorafgegaan. Appellant is bijgestaan door een professioneel gemachtigde. Tegenvoorstellen van appellant zijn voor een belangrijk deel overgenomen. Appellant is ten slotte ruime bedenktijd gegund, waarna hij op 14 november 1989, onder de expliciete vermelding dat hij ook de gewijzigde versie van de slotbepaling thans acceptabel acht, meegedeeld heeft akkoord te gaan. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant toentertijd zodanige psychische problemen had dat hij zijn wil niet in vrijheid kon bepalen. Weliswaar spreekt de bedrijfsarts in een brief van 22 april 1988 van arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een forse depressie, maar diezelfde bedrijfsarts stelt in een brief van 23 januari 1989 aan het College dat het ziekzijn van appellant kunstmatig is “opgerekt” in afwachting van duidelijkheid die de reorganisatie zou gaan bieden. Hij concludeerde dat appellant met onmiddellijke ingang zijn oude werk zou kunnen hervatten. Nu appellant, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, geen anders-luidende medische verklaring over zijn toestand in 1989 heeft overgelegd, moet de Raad concluderen dat hij zijn stelling dat hij toentertijd aan een wilsgebrek leed onvoldoende heeft onderbouwd.

4.5. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank, dat appellant het ontslagbesluit van 8 november 1999 heeft kunnen baseren op artikel 8:10 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), ook al heeft appellant nagelaten in 1999 een expliciet verzoek tot ontslag te doen. Appellant is, zoals in 4.4. is overwogen, destijds in vrijheid akkoord gegaan met de overeenkomst. Die overeenkomst bepaalde onder meer: “Het verlenen van buitengewoon verlof en het gebruik maken van de VUT zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bij VUT uittreding is het verlenen van ontslag als actief ambtenaar een voorwaarde. Zodra de eerste mogelijkheid tot VUT uittreding zich voordoet, behouden wij ons het recht voor het ontslag te verlenen.” Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de ongeclausuleerde akkoordverklaring met de overeenkomst, vervat in zijn reactie van 14 november 1989, een eigen en in vrijheid genomen beslissing tot ontslagaanvraag is gelegen.

4.6. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg en uitvoering van de overeenkomst meebrachten dat het College - zoals in het besluit op bezwaar van 20 juli 2001 alsnog is geschied - appellant compenseert voor de negatieve financiële gevolgen die voortvloeiden uit de wijzigingen in de VUT-regelingen tussen 1989 en 1999.

Met betrekking tot de berekening van die compensatie heeft appellant de grief geuit dat het College op de toegekende compensatie ten onrechte een bedrag in mindering heeft gebracht omdat appellant zijn aandeel in de overeenkomst niet onmiddellijk zou zijn nagekomen, waardoor eerst per 1 december 1999, in plaats van per 1 juni 1999 ontslag is verleend. De Raad volgt appellant daarin. Daartoe overweegt hij dat het College zelf pas op 23 juni 1999 heeft geantwoord op het in januari 1999 gedane - en gezien de gewijzigde regelgeving alleszins gerechtvaardigde - verzoek om informatie van appellant. Voorts wordt in de ontslagbrief van 8 november 1999 gesteld dat het College de ingangs-datum van het ontslag redelijkerwijze heeft bepaald op 1 december 1999, waaraan nog wordt toegevoegd dat indien door het gebrek aan medewerking van appellant het recht op een FPU-uitkering per 1 december 1999 niet kan worden vastgesteld, het College de schade op appellant zal verhalen, respectievelijk verrekenen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant aan deze mededelingen een rechtens te honoreren verwachting mogen ontlenen dat het College zou afzien van verhaal of verrekening van vóór 1 december 1999 geleden schade. Het College heeft, door naderhand in afwijking van deze eerdere mededelingen appellant - ook in financieel opzicht - te confronteren met een gewenste ingangsdatum van 1 juni 1999, gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Dit leidt tot de conclusie dat de bestreden besluiten van 20 juli 2001 en van 19 mei 2004 in zoverre voor vernietiging in aanmerking komen, evenals de aangevallen uitspraak waarbij die besluiten in stand zijn gelaten.

5. Mede gelet op de wens van partijen het geding zo mogelijk finaal te beëindigen zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bedrag van de toe te kennen bruto uitkering als volgt vaststellen: Het verschil in uitkering ten gevolge van de verlaging van het VUT-percentage van 80% in 1989 naar 75% in 1999, over de periode 1 december 1999 tot 1 december 2004 bedraagt 60 (maanden) maal 5% = 300%. Dit komt overeen met een bruto-vergoeding van drie maandsalarissen, zijnde f. 21.213,00 (€ 9.626,04).

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de verschuldigde bruto-vergoeding aan appellant;

Vernietigt de besluiten van 20 juli 2001 en van 19 mei 2004 voor zover deze betrekking hebben op de verschuldigde bruto-vergoeding aan appellant, en bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van die besluiten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 322,-, te betalen door de gemeente Rozenburg;

Bepaalt dat de gemeente Rozenburg aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 307,10 vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Hospel.

HD

12.12