Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5215

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
04-5798 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5798 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 september 2004, 03/2554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nader stukken ingebracht.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 3 januari 2005 gereageerd op de

CBBS-uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJN-nrs. AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van dezelfde datum ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellante is in persoon verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. E.B. Knollema.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 9 mei 2003 is de aan appellante toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, met ingang van 3 juni 2003 ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

7 oktober 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 september 2004 (hierna: aangevallen uitspraak) appellantes beroep tegen het besluit van 7 oktober 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt daartoe – kort gezegd – dat de vaststelling van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid niet op een ontoereikende of onjuiste medische dan wel arbeidskundige grondslag berust. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de bezwaarverzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de behandelend reumatologe

Y. Schenk, deze informatie in zijn oordeel heeft betrokken en vervolgens een beperkte belastbaarheid heeft vastgesteld, terwijl appellante haar stelling dat er sprake is van verdergaande beperkingen niet met medische verklaringen heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt voorts dat de aan appellante voorgehouden functies in overeenstemming zijn met haar beperkingen en tot een inkomensverlies van minder dan 15% leiden, zodat appellantes uitkering op goede gronden is ingetrokken.

In hoger beroep heeft appellante herhaald hetgeen zij in bezwaar en in beroep naar voren heeft gebracht. Appellante stelt als gevolg van fibromyalgie meer beperkingen te hebben dan het Uwv heeft aangenomen en niet in staat te zijn arbeid te verrichten. Ter ondersteuning van haar standpunt wijst appellante op haar in meerdere brieven weergegeven dagverhaal, waarin zij aangeeft vanwege dagelijkse vermoeidheid en pijn in spieren en gewrichten reeds zeer veel moeite te hebben om in haar eigen huiselijke omgeving enigszins te functioneren.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen appellantes medische beperkingen onzorgvuldig dan wel onjuist hebben vastgesteld. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.

Primair verzekeringsarts L.R. Paanakker heeft kennis genomen van de stukken betreffende appellantes klachten en daarnaast appellante ook zelf onderzocht. Bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans heeft na bestudering van de relevante stukken informatie opgevraagd bij de behandelend reumatologe Schenk. Deze laatste merkt bij brief van 5 september 2003 aan appellantes huisarts A.M. Mathot – in afschrift gezonden aan de bezwaarverzekeringsarts – op dat appellantes klachten passen bij fibromyalgie en dat ‘medische fitnesstraining ter verbetering van algehele-en spierconditie’ belangrijk is. Zij geeft de huisarts bovendien in overweging om appellante vanwege wisselende depressiviteit met een antidepressivum te behandelen dan wel door te verwijzen naar een psychotherapeut of psychiater. De bezwaarverzekeringsarts concludeert in zijn rapport van 26 september 2003 dat de diagnose fibromyalgie ‘zich niet richt op specifieke aantoonbare anatomische afwijkingen, maar op ervaren pijnklachten’ en dat bij gebrek aan een medisch objectiveerbare aandoening de ervaren klachten alleen onvoldoende reden vormen om ten aanzien van appellante meer beperkingen aan te nemen dan de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. De bezwaarverzekeringsarts wijst erop dat de behandelend reumatologe ‘meer bewegen en conditietraining van de spieren’ heeft aangeraden. Ten slotte merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat ook op het psychische vlak naar objectieve maatstaven niet is gebleken van een ziekte of een gebrek, zodat appellante deswege niet beperkt wordt geacht.

De Raad volgt, evenals de rechtbank, de bezwaarverzekeringsarts zowel ten aanzien van appellantes fysieke als ten aanzien van appellantes psychische belastbaarheid. Daarbij overweegt de Raad nog dat de door de reumatologe aan appellantes huisarts gedane suggestie om appellante een antidepressivum voor te schrijven dan wel te verwijzen naar een psychotherapeut of psychiater als zodanig geen blijk geeft van het bestaan van een ziekte of gebrek op het psychische vlak. Nu te dien aanzien in beroep noch in hoger beroep door appellante medische stukken zijn overgelegd, ziet de Raad geen reden te oordelen dat op het psychische vlak ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen.

Uitgaande van de op 7 oktober 2002 vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst vermag de Raad, met de rechtbank, niet in te zien dat appellante ten tijde in geding, 3 juni 2003, niet in staat kon worden geacht tot het vervullen van de functies waarop de mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% is gebaseerd.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

MR