Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
04-2778 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2778 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 april 2004, 03/1987 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 9 mei 2006 gereageerd op de CBBS-uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJN-nrs. AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bemelmans. Voor het Uwv is verschenen

mr. J.H. Nuyens.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 1 april 2003 is de aan appellante toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, met ingang van 27 mei 2003 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 augustus 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 6 augustus 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet op een ontoereikende of onjuiste medische dan wel arbeidskundige grondslag berust. In dit verband heeft de rechtbank met name overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de brieven van behandelend longarts Janssen van 18 juni 2002 en 1 oktober 2002, de brief van huisarts Huijnen van 13 mei 2003 en de overige in bezwaar door appellante ingebrachte informatie, in zijn oordeel heeft betrokken, dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt waarom de klachten van appellante tot de vastgestelde beperkingen hebben geleid, dat niet is gebleken dat een medische urenbeperking ten onrechte achterwege is gelaten en dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 13 januari 2004 voldoende heeft gemotiveerd waarom de brief van de longarts van 3 september 2003 geen aanleiding vormt om de per 27 mei 2003 vastgestelde belastbaarheid alsnog te wijzigen. Wat de arbeidskundige kant betreft heeft de rechtbank overwogen dat de functie ‘medewerker textielindustrie’ vanwege een te hoge opleidingseis niet aan de schatting ten grondslag gelegd mocht worden, maar dat het wegvallen van deze functie in verband met een reeds aan appellante voorgehouden reservefunctie geen gevolgen heeft voor de schatting, omdat niet is gebleken dat de functies waarop vervolgens de schatting rust meer van appellante vergen dan haar belastbaarheid toelaat. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het verlies aan verdienvermogen van appellante minder dan 15% bedraagt.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is om (voltijds) de werkzaamheden in de haar voorgehouden functies te verrichten. Daartoe heeft appellante allereerst gewezen op het schrijven van haar huisarts Huijnen van 13 mei 2003, waarin is aangegeven dat zij lijdt aan astma. Verder heeft appellante gesteld dat het medisch onderzoek onvoldoende is geweest, nu de verzekeringsartsen ten onrechte en zonder afdoende motivering geen beperkingen hebben aangenomen op grond van haar rugklachten. Ter ondersteuning van deze stelling heeft appellante gewezen op brieven van neuroloog Mulleners van 26 maart 2004 en 27 mei 2004, waarin deze ten aanzien van appellante een ‘radiculair syndroom S1 links’ heeft vastgesteld. Daarbij heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat deze latere objectief medische vaststelling ook een beeld geeft van de rugklachten op de datum in geding. Ten slotte heeft appellante nog eens aangegeven chronisch vermoeid te zijn en klachten van depressieve aard te hebben.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellante onzorgvuldig dan wel onjuist hebben vastgesteld. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.

Voor haar stelling dat zij op grond van haar longklachten minder belastbaar is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen, heeft appellante verwezen naar de brief van haar huisarts Huijnen van 13 mei 2003. Deze brief is – naast de brief van de huisarts van

10 april 2003 en de brieven van de longarts Janssen van 18 juni 2002 en 1 oktober 2002 – door bezwaarverzekeringsarts Gommers in de beoordeling is betrokken. Hij heeft in zijn rapport van 30 juni 2003 de eerdere conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen Carere en Malyar dat appellante lijdt aan chronische luchtwegklachten, onderschreven en gesteld dat sprake is van ‘reële pulmonale problematiek die aanleiding moet zijn tot het aannemen van beperkingen’ in zoverre dat appellante is aangewezen op energetisch niet te zware werkzaamheden ‘in een luchtweg vriendelijk milieu’. Volgens Gommers heeft verzekeringsarts Malyar bij het opstellen van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) hiermee rekening gehouden en sluiten de bevindingen aan bij hetgeen de behandelend longarts heeft gemeld. De door appellante in beroep ingebrachte brief van longarts Janssen van 3 september 2003 heeft bezwaarverzekeringsarts Gommers niet tot een andere conclusie gebracht. De Raad is van oordeel dat de gevolgen van de longklachten voor de belastbaarheid van appellante voldoende gemotiveerd zijn weergegeven en ziet geen aanleiding de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts op dat punt voor onjuist te houden.

De Raad volgt appellante voorts niet in haar stelling dat de brieven van neuroloog Mulleners van 26 maart 2004 en 27 mei 2004 een beeld geven van de rugklachten op de datum in geding, 27 mei 2003. De Raad betrekt hierbij de opmerking van de neuroloog in diens brief van 26 maart 2004 dat appellante ‘Vier weken geleden (…) zomaar pijn in de rug (heeft) gekregen.’. Voorts wijst de Raad in dit verband op hetgeen bezwaarverzekeringsarts Carere in reactie op de brieven van de neuroloog heeft aangegeven. Zij heeft in haar rapport van 16 september 2004 gesteld dat ten tijde in geding bij appellante sprake was van aspecifieke rugklachten en dat het radiculair syndroom eerste geruime tijd na de datum in geding is ontstaan. Voor de aanwezigheid van een radiculair syndroom bestonden destijds geen aanwijzingen; evenmin was het ontstaan ervan te verwachten. Een en ander noopt volgens Carere dan ook niet tot aanpassing van het opgestelde belastbaarheidsprofiel. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie.

Ten aanzien van de door appellante in hoger beroep herhaalde klachten over chronische vermoeidheid en klachten van depressieve aard overweegt de Raad dat bezwaar-verzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 30 juni 2003 gemotiveerd heeft aangegeven waarom deze klachten niet tot (aanvullende) beperkingen leiden. Appellante heeft niets aangevoerd op grond waarvan de Raad deze conclusie voor onjuist zou moeten houden.

Gezien het hiervoor overwogene is de Raad voorts van oordeel dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat ten aanzien van appellante ten onrechte geen medische urenbeperking aangewezen is geacht.

Uitgaande van de in januari 2003 vastgestelde en sedertdien niet aangescherpte FML overweegt de Raad, met de rechtbank, dat appellante op de datum in geding,

27 mei 2003, in staat kon worden geacht tot het vervullen van de functies van ‘productiemedewerker industrie’, ‘assembleerder installatie, motoren’ en ‘inpakker’, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

GdJ