Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
03-5741 WAO + 06-3034 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/5741 WAO + 06/3034 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 oktober 2003, 03/872

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. S.F. van der Valk, advocaat te

’s-Gravenhage.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nader stukken ingebracht.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 22 september 2006; geen van beide partijen is verschenen. Voortgezet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006; appellant is niet verschenen, het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 16 januari 2003 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 14 juni 2002 waarbij de aan hem per 19 maart 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende WAO-uitkering is ingetrokken per 22 juli 2002 onder overweging dat hij weliswaar ongeschikt is voor zijn eigen voltijdse werk als keukenassistent/schoonmaker, doch in staat is te achten tot het voltijds verrichten van gangbaar (ander) werk - in welk kader hem minstens drie functies zijn voorgehouden - waarmee hij een zodanig loon kan verwerven dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 16 januari 2003 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat zij geen aanleiding ziet de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten alsook dat de arbeidskundige grondslag ervan evenzeer kan standhouden.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij in medisch opzicht, met name wat zijn allergische astma-aanvallen betreft, ten tijde in geding zozeer meer was beperkt dan door het Uwv alsook de rechtbank is aangenomen dat hij niet in staat was de aan hem voorgehouden functies voltijds te vervullen en dat ten onrechte niet een medisch specialist is ingeschakeld. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant twee verklaringen van het Medisch Centrum Haaglanden (MCH) te ’s-Gravenhage overgelegd over opnames gedurende enkele dagen via de EHBO in de tot dat centrum behorende ziekenhuizen Antoniushove te Leidschendam van 21 tot en met 24 juli 2002 en Westeinde te ’s-Gravenhage in januari en september 2003 alsook een verwijzingsbrief van zijn huisarts van 29 oktober 2003 naar een andere longarts.

De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen hebben het Uwv aanleiding gegeven contact op te nemen met de MCH-longarts bij wie appellant jarenlang (tot in ieder geval 29 oktober 2003) in behandeling is geweest (J.J.P. den Hertog). Deze heeft op 14 april 2006 een verklaring afgegeven welke wat het jaar 2002 betreft inhoudt dat de opname op 21 juli 2002 heeft plaats gevonden op de afdeling Keel-, neus- en oorheelkunde en dat de astma in die periode met medicatie redelijk stabiel was.

De opname van appellant van 21 tot en met 24 juli 2002 op de Kno-afdeling heeft het Uwv op advies van de bezwaarverzekeringsarts van 9 mei 2006 aanleiding gegeven bij nader besluit op bezwaar van 11 mei 2006 over te gaan tot herziening van de datum per welke de WAO-uitkering aan appellant is ingetrokken (per 25 juli 2002 in plaats van

per 22 juli 2002), doch de intrekking op zichzelf te handhaven.

De Raad overweegt als volgt.

Aangezien het Uwv bij het nadere besluit op bezwaar niet geheel aan het door appellant ingestelde hoger beroep is tegemoet gekomen, wordt dat hoger beroep geacht mede (als beroep) te zijn gericht tegen dat nadere besluit en zal de Raad tevens een oordeel over dat besluit geven. Aangezien alle door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden volledig aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van dat nadere besluit en schadevergoeding niet aan de orde is, heeft appellant bij beoordeling van de aangevallen uitspraak geen rechtens te beschermen belang meer. De Raad zal appellant dan ook in zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaren, zulks onder veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door appellant ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,-- en vergoeding van het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht (€ 87,--).

Appellants bezwaren tegen de intrekking gelden uitsluitend de medische kant van de zaak; hij is van mening vanwege zijn longklachten aanmerkelijk meer te zijn beperkt dan door het Uwv is aangenomen en dan ook de aan de schatting ten grondslag gelegde voltijdse functies niet te kunnen vervullen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan en de Raad kan zich geheel vinden in dat oordeel alsook de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De voorhanden, met name van de appellant (toen) behandelende longarts Den Hertog afkomstige gegevens hebben terecht de verzekeringsarts noch de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gegeven om met de zogeheten behandelend sector contact op te nemen. Tot en met de beroepsfase heeft appellant zijn stellingen op geen enkele wijze met een of meer verklaringen van de (andere) hem in Nederland en/of Egypte (zijn land van herkomst) eventueel behandelende arts(en) onderbouwd. De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaringen van het MCH zien op twee opnames in 2003 die, omdat zij dateren van (ver) na de datum in geding, thans buiten beschouwing moeten blijven en op een opname van 21 tot en met 24 juli 2002, echter, op de Kno-afdeling. Appellant heeft niet gesteld en evenmin is kunnen blijken dat er ten tijde in geding op kno-gebied sprake was van medische beperkingen. Louter vanwege die ziekenhuisopname heeft het Uwv de intrekkingsdatum verlegd naar daags na de datum van ontslag uit het ziekenhuis.

Bij gebrek aan de voor het inschakelen van een onafhankelijke medische deskundige, met name een longarts, vereiste twijfel, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien zo’n nader medisch onderzoek te doen instellen. In hoger beroep is die twijfel niet alsnog bij de Raad gerezen.

Desgevraagd is door de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hoogeveen bij rapport van

12 oktober 2006 een toelichting gegeven op het standpunt van het Uwv dat appellant op basis van de op 26 maart 2002 opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML), waarbij de medische mogelijkheden waarover appellant ten tijde in geding naar het oordeel van de verzekeringsarts J.B. Tuinhof de Moed nog beschikte zijn vastgesteld, in staat moet worden geacht tot het vervullen van de geduide functies en met name wat betreft tillen en dragen van meer dan 15 kg alsook frequent buigen tijdens het werk tot meer dan

45 graden. Die toelichting heeft appellant geen aanleiding tot een reactie gegeven.

Gegeven de FML en gezien die toelichting vermag de Raad in het voetspoor van de rechtbank niet in te zien dat appellant (toen) niet in staat kon worden geacht de aan hem voorgehouden voltijdse functies volledig te vervullen.

Gelet op het vorenstaande komt het nadere besluit van 11 mei 2006 niet voor vernietiging in aanmerking en zijn - wat dat nadere besluit betreft - geen termen voor een proceskostenveroordeling aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het nadere besluit van 11 mei 2006 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 87,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

SSw