Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
06-1939 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen maatregel inzake WW-uitkering vanwege onvoldoende sollicitatieactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1939 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 februari 2006, 05/877 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van der Heijden, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant door

mr. Van der Heijden voornoemd is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.T. Wielinga, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is met ingang van 1 juli 2004 als elektricien/loodgieter in dienst getreden bij Installatiebedrijf Kuipers B.V. (hierna: werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, te weten tot en met 31 december 2004. Op

22 december 2004 heeft appellant van de werkgever te horen gekregen dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Vervolgens heeft appellant een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant enige sollicitatieactiviteiten opgegeven, welke door hem na 3 januari 2005 zijn verricht. Bij brief van 19 januari 2005 heeft het Uwv appellant gevraagd naar door hem verrichte sollicitatieactiviteiten in de periode van 22 november 2004 tot 3 januari 2005. Uit het antwoord van appellant blijkt dat hij in die periode geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht. In zijn antwoord heeft appellant gewezen op de korte tijd tussen 22 december 2004, de dag waarop hij te horen heeft gekregen dat zijn contract niet zal worden verlengd, en 31 december 2004, zijn laatste werkdag, alsmede op het feit dat de installatiebedrijven in die periode twee of drie weken vrij zijn, zodat hij niet zou weten aan wie hij een sollicitatie had moeten richten.

2.2. Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 3 januari 2005 recht heeft op een loongerelateerde WW-uitkering. Bij besluit van

28 januari 2005 heeft het Uwv aan appellant een maatregel opgelegd omdat appellant in de periode vanaf 23 december 2004 tot 3 januari 2005 heeft nagelaten sollicitatieactiviteiten te verrichten. De maatregel behelst de verlaging van de WW-uitkering met ingang van 3 januari 2005 met 20% voor de duur van 16 weken.

2.3. Appellant heeft tegen het besluit van 28 januari 2005 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 26 april 2005 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard omdat naar haar oordeel het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant is tegen te werpen dat hij in de in geding zijnde periode de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW niet is nagekomen. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant in de periode vanaf

22 december 2004 tot 3 januari 2005 geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht en dat de door hem aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat hij in die periode in het geheel geen sollicitatieactiviteiten had kunnen ontplooien.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank in strijd is met jurisprudentie van de Raad, te weten de uitspraak van 22 februari 2006, LJN AV3032, alsmede dat het Uwv ten onrechte onderscheid maakt tussen personen ten aanzien van wie de werkloosheid nog moet intreden en personen ten aanzien van wie de werkloosheid reeds is ingetreden.

4.2. Het Uwv heeft de stellingen van appellant in verweer weersproken en zich achter het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, gesteld.

5. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Hij beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

5.1. Uit het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW blijkt welk beleid het Uwv hanteert bij de vraag of in een voorliggend geval is voldaan aan de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Het Uwv maakt daarbij een onderscheid tussen de sollicitatieplicht van werknemers voorafgaande aan het recht op uitkering en de sollicitatieplicht van werknemers tijdens het ontvangen van een WW-uitkering.

5.2. De grief van appellant dat het oordeel van de rechtbank in strijd is met de hierboven genoemde uitspraak van de Raad van 22 februari 2006 treft geen doel, nu in die uitspraak een andere rechtsvraag ter beantwoording voorlag dan die welke in het voorliggende geschil aan de orde is. In de genoemde uitspraak ging het om de invulling van de sollicitatieverplichting van de werkloze werknemer in de eerste beoordelingsperiode nĂ¡ de eerste werkloosheidsdag, terwijl het in het geval van appellant gaat om de invulling van de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, gedurende de periode voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag. De genoemde uitspraak mist dan ook in het geval van appellant toepassing.

5.3. Ook de grief van appellant dat het in strijd is met het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld om onderscheid te maken tussen de sollicitatieplicht voorafgaande aan het recht op WW-uitkering en de sollicitatieplicht tijdens het ontvangen van een WW-uitkering, kan naar het oordeel van de Raad niet slagen. Anders dan appellant kennelijk van opvatting is, is de Raad van oordeel dat de desbetreffende situaties niet zodanig gelijk zijn dat het beleid in die beide situaties hetzelfde dient te zijn.

5.4. Uit het in 5.1. bedoelde beleid volgt dat het Uwv, voor zover in dit geding van belang, van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op een andere wijze dan door opzegging eindigt verlangt dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie zijn uitspraak van 6 juli 2005, LJN AT9477, USZ 2005/328) acht de Raad dit onderdeel van het beleid van het Uwv niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, ingevolge welke bepaling de werknemer dient te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

5.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, voor wie het vanaf

22 december 2004 redelijkerwijs duidelijk was dat de dienstbetrekking zou eindigen per 31 december 2004, de op hem rustende sollicitatieverplichting, nu hij -naar tussen partijen niet in geschil is- in de periode van 22 december 2004 tot 3 januari 2005 geen enkele sollicitatieactiviteit heeft verricht, niet is nagekomen. Hetgeen appellant ter verontschuldiging daarvoor heeft aangevoerd, kan ook naar het oordeel van de Raad niet slagen.

5.6. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.

RH

05/12