Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
06-1056 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is terecht vastgesteld dat er bij betrokkene geen sprake is van ziekten of gebreken die voortvloeien uit de vervolging, zodat zij geen recht heeft op de door haar aangevraagde periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge de WUV?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1056 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 7 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep doen instellen tegen het door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit van 2 februari 2006, kenmerk BJZ/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 26 oktober 2006. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren [in] 1942, is vervolgde in de zin van de Wet. Bij besluit van 11 juli 2002 heeft verweerster vastgesteld dat er bij appellante geen sprake is van ziekten of gebreken die voortvloeien uit de vervolging, zodat zij geen recht heeft op de door haar aangevraagde periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge de Wet. Dit besluit heeft verweerster, na namens appellante gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2003. Tegen laatst genoemd besluit heeft appellante beroep doen instellen, welk beroep de Raad bij zijn uitspraak van 28 april 2005, nr. 03/4355, gegrond heeft verklaard. Bij die uitspraak heeft de Raad verweersters besluit van 31 juli 2003 vernietigd. Gezien het namens appellante in geding gebrachte rapport van prof. dr. B.N.J. Schreuder en drs A. van der Meij, verbonden aan het Universitair Medisch Centrum St. Radboud te Nijmegen, heeft de Raad het door verweerster ingenomen standpunt dat bij appellante geen sprake is van met de vervolging in verband staande psychische klachten, onjuist geoordeeld.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerster appellante onderworpen aan medisch onderzoek door de arts F. Zwerver, die op 2 augustus 2005 rapport heeft uitgebracht. In navolging van het door verweersters geneeskundig adviseur op basis van dit onderzoek ingenomen standpunt heeft verweerster bij het thans bestreden besluit aan appellante ingaande 1 juli 2001 een vergoeding toegekend voor vier uur huishoudelijke hulp per week, alsmede een tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer tot 1 januari 2002 en ingaande deze laatste datum een tegemoetkoming voor deelname aan het maat-schappelijk verkeer. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een periodieke uitkering en een vergoeding voor sociaal vervoer alsmede voor een vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de kosten van extra vakantie met begeleiding en van saunabezoek.

Appellante kan zich met de in het bestreden besluit begrepen weigeringen niet verenigen. Zij heeft daartoe primair doen aanvoeren dat het verweerster gezien ’s Raads uitspraak van 28 april 2005 niet meer vrij stond nader (medisch) onderzoek te doen verrichten omtrent de bij appellante aanwezige beperkingen, aangezien de Raad zich naar het oordeel van appellante over deze beperkingen in die uitspraak reeds had uitgesproken.

Deze opvatting van appellante kan de Raad niet tot de zijne maken. Bij genoemde uitspraak heeft de Raad zich uitsluitend uitgesproken over de causaliteit van de bij appellante aanwezige psychische klachten. De vermelding van beperkingen in deze uitspraak betrof slechts een feitelijke weergave van hetgeen door prof. dr. B.N.J. Schreuder bij appellante was vastgesteld zonder dat de Raad zich op enigerlei wijze met deze vaststelling heeft verenigd. Dit brengt met zich dat het verweerster naar het oordeel van de Raad vrij stond desgewenst bij appellante nader medisch onderzoek te doen verrichten met betrekking tot de bij appellante aanwezige beperkingen.

Met betrekking tot de overige namens appellante naar voren gebrachte grieven overweegt de Raad het volgende.

De Raad stelt vast dat door appellante in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 28 april 2005 niet de juistheid is bestreden van het door verweerster in die procedure ingenomen standpunt dat de lichamelijke klachten van appellante (rug-, knie- en longklachten) met de vervolging geen verband houden. Dit standpunt van verweerster is naar het oordeel van de Raad derhalve in rechte als vaststaand aan te merken. Het voorgaande houdt in dat de Raad voor het thans voorliggende geschil uitsluitend de psychische klachten van appellante bij zijn oordeelsvorming kan betrekken. Dit brengt reeds aanstonds de conclusie met zich dat verweerster aan appellante op goede gronden een voorziening voor saunabezoek heeft geweigerd, aangezien deze voorziening blijkens de gedingstukken uitsluitend in verband staat met de longklachten van appellante.

Met betrekking tot de in het bestreden besluit neergelegde weigering van verweerster aan appellante een periodieke uitkering toe te kennen, overweegt de Raad als volgt.

Verweerster heeft dit besluit gebaseerd op het standpunt van haar geneeskundig adviseur, inhoudende dat er bij appellante ten gevolge van haar met de vervolging samenhangende psychische klachten geen sprake is van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten, nu bij haar uitsluitend geringe tot matige beperkingen ten gevolge van slaapproblemen zijn vast te stellen in rubriek 1 van de AMA-schaal (dagelijkse activiteiten).

Naar het oordeel van de Raad wordt dit standpunt van verweersters geneeskundig adviseur niet gedragen door de daaraan ten grondslag liggende medische informatie. De Raad acht in dit verband van belang dat blijkens het vanwege verweerster bij appellante verrichte medisch onderzoek door de arts F. Zwerver bij appellante sprake is van een causaal te achten angststoornis, type agorafobie met paniekaanvallen, die niet alleen beperkingen in rubriek 1 van de AMA schaal tot gevolg heeft, maar tevens in rubriek 4 (adaptatie aan stressvolle omstandigheden). In deze conclusie van de arts Zwerver ziet de Raad een bevestiging van hetgeen door eerder genoemde prof. dr. B.N.J Schreuder bij appellante aan beperkingen is vastgesteld. Deze acht blijkens zijn rapport sprake van matige beperkingen tijdens de dagelijks activiteiten doordat appellante niet alleen de straat op durft en daardoor soms in paniek raakt, alsmede door slaapproblemen. Voorts acht hij bij appellante sprake van aanzienlijke problemen in het sociaal functioneren door angst om de straat op te gaan, zich te laten registreren en angst voor mensen in donkere kleding en gesloten ruimtes. Uit dit rapport komen voorts nog ernstige beperkingen naar voren in de adaptatie aan stressvolle omstandigheden, onder meer blijkend uit een decompensatie met ziekenhuisopname naar aanleiding van de uitnodiging voor het onderzoek. De conclusies van de arts Zwerver bezien in samenhang met het rapport van prof. dr. B.N.J. Schreuder brengen de Raad tot de conclusie dat er bij appellante sprake is van beperkingen in tenminste 2 van de 4 rubrieken van de AMA-schaal van een zodanige ernst dat zij geacht moet worden ten opzichte van leeftijdgenoten verminderd te functioneren. Daaruit volgt dat appellante aanspraak kan doen gelden op een periodieke uitkering en het beroep voor zover het is gericht tegen de afwijzing daarvan gegrond verklaard moet worden.

Met betrekking tot de in het bestreden besluit tevens begrepen weigering van verweerster aan appellante een vergoeding toe te kennen voor sociaal vervoer alsmede een vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de kosten van vakantie, overweegt de Raad het volgende.

Verweerster heeft een vergoeding voor sociaal vervoer aan appellante geweigerd op grond van de overweging dat zij in staat moet worden geacht van het openbaar vervoer gebruik te maken. In de gedingstukken ziet de Raad genoegzaam onderbouwing voor dit standpunt aanwezig. De stelling van de gemachtigde van appellante dat zij hiertoe op grond van har psychische klachten niet in staat is, strookt niet met hetgeen appellante zelf daaromtrent bij diverse gelegenheden heeft verklaard, te weten dat zij zelfstandig met de trein haar in Amsterdam wonende dochter bezoekt, alsmede recent zelfstandig per trein naar Utrecht is gereden om met deze dochter een musical te bezoeken.

Verweerster heeft aan appellante vergoeding voor vakantie met begeleiding geweigerd, omdat appellante niet voldoet aan de door verweerster in dat verband gehanteerde en door de Raad geaccepteerde richtlijnen, nu bij haar geen sprake is van een noodzakelijke vakantie ter reconvalescentie na behandeling van de causale klachten, dan wel ter voorkoming van acute verergering van deze klachten. De gedingstukken bieden naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwing van dit standpunt van verweerster.

Verweerster heeft ten slotte aan appellante een tegemoetkoming in de kosten van extra vakantie geweigerd, omdat in het geval van appellante geen sprake is van extra vakantie daar geen regelmatig vakantiepatroon valt aan te wijzen. Ook voor dit standpunt ziet de Raad voldoende onderbouwing aanwezig in de omtrent appellante voorhanden gegevens en met name in haar eigen verklaring dat zij al 35 jaar geen vakantie heeft genoten. Voor de noodzaak van begeleiding bij vakantie geven de gedingstukken van medische aard voorts geen enkele indicatie.

De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellante bestaande uit € 622,- aan kosten van juridische bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de weigering aan appellante een periodieke uitkering toe te kennen;

Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Verstaat dat verweerster een nader besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 622,- te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.