Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
05-6833 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit ter uitvoering van een eerdere uitspraak van de Raad waarin is vernietigd omdat slechts de algemene invaliditeit en niet zoals voor de AOR vereist, de beroepsinvaliditeit is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6833 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 7 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep doen instellen tegen het besluit van verweerster van 18 oktober 2005, kenmerk 6964/CAOR, waarbij toepassing is gegeven aan de Algemene oorlogsongevallenregeling, hierna: AOR.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend en daarbij mededeling gedaan dat zij in haar vergadering van 8 mei 2006 gedeeltelijk aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 26 oktober 2006. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door haar secretaris

mr. L.H.G. Belleflamme en door mr. R.L.M.J. Gielen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren [in] 1945 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een invaliditeitsuitkering ingevolge de AOR.

Bij besluit van 17 juni 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 juni 2004, heeft verweerster appellante erkend als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR en bepaald dat zij ten gevolge van het (psychisch) oorlogsletsel voor 30 % ongeschikt is tot het verrichten van passende arbeid. Verweerster heeft dit standpunt ingenomen op basis van bij eiseres verricht medisch onderzoek door de arts. J.W. Heijltjes, die bij eiseres beperkingen heeft vastgesteld ten gevolge van psychische klachten en de met deze beperkingen samenhangende psychische invaliditeit met toepassing van de AMA-schaal heeft vastgesteld op 50 %, waarvan de helft kan worden toegeschreven aan het oorlogsletsel.

Bij uitspraak van deze Raad van 1 september 2005, nummer 04/4119 AOR, is verweersters besluit van 21 juni 2004 vernietigd op de grond dat bij dit besluit is gekomen tot een beoordeling van de bij appellante aanwezige algemene invaliditeit en niet, zoals ingevolge de AOR is vereist, tot een beoordeling van de bij appellante bestaande, aan haar oorlogsletsel toe te schrijven gehele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot het verrichten van passende arbeid.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster uitvoering gegeven aan deze uitspraak en bepaald dat appellante ten gevolge van haar oorlogsletsel voor 30% ongeschikt is tot het verrichten van passende arbeid, waaronder wordt verstaan werkzaamheden die in aard vergelijkbaar zijn met het beroep van huisvrouw, nader door verweerster bepaald op werkzaamheden die naar hun aard vergelijkbaar zijn met het beroep van kunstenares.

Appellante kan zich met het voor haar vastgestelde invaliditeitspercentage niet verenigen. Zij heeft onder verwijzing naar de rapportage d.d. 16 maart 2004 van psychiater A.A. van Loon doen betogen dat bij haar sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op psychische gronden, waarvan 50 % in verband staat met het oorlogsletsel.

De Raad overweegt als volgt.

Desgevraagd ter zitting hebben de vertegenwoordigers van verweerster erkend dat bij appellante sprake is van een algemene invaliditeit van 100%. Daarmee is gegeven dat bij appellante eveneens sprake is van een algehele beroepsinvaliditeit. Mitsdien staat ter beantwoording de vraag welk deel van deze beroepsinvaliditeit is toe te schrijven aan (causale) psychische klachten.

Verweerster heeft na voornoemd rapport van de arts Heijltjes, waarin, naar de Raad eerder heeft vastgesteld, is gekomen tot vaststelling van de algemene invaliditeit van appellante geen nader specifiek op de beroepsinvaliditeit gericht medisch onderzoek doen verrichten. Ter zitting heeft de Raad van de vertegenwoordigers van verweerster ook geen inzicht kunnen verkrijgen hoe verweerster is gekomen tot een psychische beroepsinvaliditeit bij appellante van 50%. De enkele verwijzing in het medisch advies van de mogelijkheden van goede begeleiding en psychotherapie acht de Raad onvoldoende onderbouwing voor vaststelling van de bij appellante aanwezige psychische beroepsinvaliditeit op 50%. De Raad moet derhalve vaststellen dat een juiste en inzichtelijke bepaling van de bij appellante aanwezige (causale) beroepsinvaliditeit nog immer niet heeft plaats gevonden. Onder deze omstandigheden ziet de Raad aanleiding aan de door de psychiater

A.A. van Loon uitgebrachte rapportage beslissende betekenis toe te kennen. De Raad komt mitsdien tot het oordeel dat voor appellante, zoals in deze rapportage is vastgesteld, een percentage arbeidsongeschiktheid op psychische gronden van 100 heeft te gelden, waarvan de helft, naar namens appellante is erkend, niet is toe te schrijven aan voor de AOR in aanmerking te nemen oorlogsletsel. De Raad komt derhalve tot de slotsom dat bij appellante sprake is van een ongeschiktheid van 50% ten gevolge van het oorlogsletsel voor het verrichten van werkzaamheden die vergelijkbaar zijn aan het beroep van kunstenares.

De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 622,- aan kosten van juridische bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 622.-, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.