Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
06-171 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten en een bijdrage in de huur van de te betrekken woning. Geen medische noodzaak aanwezig voor verhuizen op grond van alleen de psychische oorlogsinvaliditeit van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/171 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 7 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 november 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, door verweerster te zijnen aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Aldaar is appellant niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1933, in april 2000 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. De lichamelijke klachten van appellant - migraine, darmklachten en (degeneratieve) rugklachten - zijn toen niet aanvaard als staande in het vereiste verband met de meegemaakte oorlogscalamiteiten.

Bij vervolgaanvraag van december 2004 heeft appellant verzocht om voorzieningen voor verhuis- en herinrichtingskosten en een huurbijdrage. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij sinds zijn verhuizing - op basis van een vanwege zijn mobiliteitsbeperkingen verkregen urgentieverklaring - in 1998 naar zijn huidige flatwoning met lift kampt met een toename van zijn psychische klachten, vooral vanwege het verkeerslawaai in zijn zeer drukke straat en het geluid van de kanteldeuren van de garages onderin het flatgebouw. Daarbij komt, aldus appellant, dat hij - nadat hij een keer daarin heeft vastgezeten - vanwege zijn psychische klachten geen gebruik meer durft te maken van de, erg kleine, lift in het flatgebouw.

Deze aanvraag heeft verweerster bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit in zoverre ingewilligd dat appellant op grond van artikel 33 van de Wet een tegemoetkoming is verleend in de kosten van verhuizing en herinrichting. Hierbij heeft verweerster in aanmerking genomen dat voor appellant een medisch-sociale wenselijkheid bestaat om te verhuizen. Een vergoeding als bedoeld in artikel 32 van de Wet van de verhuis- en herinrichtingskosten en een bijdrage in de huur van de te betrekken woning heeft verweerster geweigerd, omdat naar haar oordeel geen medische noodzaak aanwezig is voor verhuizen op grond van alleen de psychische oorlogs-invaliditeit van appellant.

In beroep heeft appellant de juistheid van deze laatste opvatting van verweerster bestreden. Hierbij heeft appellant tevens aangegeven dat niet valt te verwachten dat hij spoedig opnieuw voor een urgentieverklaring in aanmerking komt, zodat hij voor een snelle verhuizing is aangewezen op een woning in de zogenoemde vrije sector, voor de huur waarvan zijn inkomen echter ontoereikend is en een huurbijdrage derhalve noodzakelijk.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster dat geen sprake is van een medische noodzaak tot verhuizen op grond van psychische klachten, in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op medisch onderzoek van appellant door een van deze adviseurs, de arts A.M. Ohlenschlager, op informatie uit de zogenoemde behandelende sector en op bij verweerster in verband met eerdere aanvragen van appellant al ruimschoots aanwezige medische gegevens.

In de adviezen is aangegeven dat de causale psychische klachten van appellant zijn verergerd sedert de verhuizing in 1998, maar vooral sedert het daarna gelegen moment waarop appellant zijn vrijwilligerswerk heeft verminderd. Deze klachten uiten zich vooral in nachtelijke problemen, waarbij sprake is van angst, herbelevingen en flashbacks, met als gevolg een sterk verminderde slaapduur en daardoor vermoeidheid overdag, een verminderde interesse en verminderd activiteitenpatroon. Anderzijds is in aanmerking genomen dat op grond van de medische gegevens al langer bekend was dat appellant zeer licht slaapt en van elk geluid wakker wordt. De verwachting is derhalve dat de klachten bij een adequate verhuizing wel zullen verminderen maar niet zullen verdwijnen. Verder is aangegeven dat verhuizing niet door een behandelend arts is voorgeschreven en dat appellant tot op zekere hoogte in staat is gebleken om de huidige situatie te verdragen vanwege de wensen van zijn vrouw. Op grond van een en ander is geconcludeerd dat niet kan worden gesproken van een medische noodzaak om te verhuizen op grond van alleen de psychische klachten. Wel is vanwege de psychische klachten, in combinatie met de mobiliteitsbeperkingen en de situatief bepaalde angst voor de huidige, kleine lift, een medisch-sociale wenselijkheid voor verhuizing aanwezig geacht.

De Raad acht het bestreden besluit, wat betreft de beantwoording van de vraag of sprake is van een medische noodzaak tot verhuizen, op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.

In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunt gevonden om de door verweerster gevolgde medische visie, die blijk geeft van een uitvoerige en adequate afweging van alle in aanmerking te nemen factoren, onjuist te oordelen.

De Raad laat hierbij mede wegen dat appellant voor zijn psychische klachten niet onder gerichte therapeutische behandeling staat, terwijl evenmin is gebleken van een medisch voorschrift tot verhuizen van de huisarts van appellant.

Met betrekking tot de in het bestreden besluit begrepen weigering om appellant een huurbijdrage toe te kennen overweegt de Raad dat verweerster met instemming van de Raad deze voorziening slechts toekent indien sprake is van een hogere huur die voort-vloeit uit een op grond van de causale ziekten of gebreken noodzakelijke verhuizing. Zoals uit het vorenstaande volgt doet deze situatie zich in het geval van appellant niet voor.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.