Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
05-6441 WUV + 06-2564 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling van de voor de periodieke uitkering ingevolge de WUV geldende grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6441 WUV + 06/2564 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 7 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft bij schrijven van 12 oktober 2005 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van verweerster ter uitvoering van de uitspraak van deze Raad van 23 juni 2005, nr. 04/1895 WUV.

Bij besluit van 15 november 2005, kenmerk BJZ/2005, heeft verweerster uitvoering gegeven aan deze uitspraak. Bij schrijven van 24 december 2005 heeft appellant kenbaar gemaakt zich niet met het bestreden besluit te kunnen verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren [in] 1943, is bij besluit van verweerster van 21 november 2003 met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet, met de vervolgde gelijk gesteld. Bij genoemd besluit is aan appellant ingaande 1 mei 2001 een periodieke uitkering toegekend, waarvan de grondslag is bepaald op het ingevolge de Wet geldende minimum. Na door appellant gemaakt bezwaar heeft verweerster bij besluit van 24 februari 2004 de ingangsdatum en de grondslag van de periodieke uitkering ongewijzigd gelaten. Bij uitspraak van deze Raad van 23 juni 2005, nr. 04/1895 WUV, heeft deze Raad laatst genoemd besluit vernietigd op grond van de overweging dat verweerster de voor de berekening van appellants periodieke uitkering geldende grondslag ten onrechte niet met toepassing van artikel 8, tweede en derde lid, van de Wet heeft vastgesteld naar het door appellant laatstelijk uitgeoefende beroep van diskjockey op Ibiza.

Bij schrijven van 21 september 2005 heeft verweerster eiser medegedeeld dat het niet haalbaar was binnen dertien weken na de uitspraak van deze Raad een besluit te nemen en dat de termijn daarvoor met vier weken wordt verlengd. Bij het thans bestreden besluit van 15 november 2005 heeft verweerster aan voornoemde uitspraak van de Raad uitvoering gegeven en de grondslag waarnaar de periodieke uitkering van appellant wordt berekend nader vastgesteld op € 2059,71 per maand.

De Raad heeft zich ambtshalve uit te spreken over de ontvankelijkheid van het door appellant ingesteld beroep. In dit verband stelt de Raad vast dat het schrijven van appellant van 12 oktober 2005 tegen het uitblijven van een besluit ter uitvoering van

’s Raads uitspraak prematuur is ingediend, aangezien de termijn voor het nemen van een besluit op die datum nog niet was verstreken. Hangende het geding bij de Raad heeft verweerster echter alsnog bij besluit van 15 november 2005 aan

’s Raads uitspraak uitvoering gegeven. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroep van appellant (van 12 oktober 2005) worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit van

15 november 2005. In navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 oktober 2005, 40155, AB 2005, 426, ziet de Raad geen grond het door appellant bij schrijven van 12 oktober 2005 ingestelde beroep, voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 15 november 2005, niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat ten tijde van het instellen van dit beroep de beslistermijn nog niet was verstreken, aangezien noch de tekst van artikel 6: 20, vierde lid, van de Awb, noch de geschiedenis van totstandkoming van dit artikellid steun biedt voor de opvatting dat voor de toepassing van dit artikellid is vereist dat ten tijde van het instellen van beroep de beslistermijn daadwerkelijk is verstreken. Bij een beslissing op zijn beroep tegen het uitblijven van een besluit ter uitvoering van ’s Raads uitspraak, heeft appellant gezien het vorenstaande echter geen belang meer.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Omdat het niet mogelijk is gebleken op basis van de door appellant verschafte gegevens te komen tot een grondslagvaststelling heeft verweerster nader onderzoek verricht en daarbij informatie ingewonnen bij diverse instellingen en instituten, waarvan de meeste niet hebben gereageerd, en heeft zij voorts op internet gezocht naar prijzen die worden betaald voor het optreden van een diskjockey. Op basis van de aldus verkregen gegevens heeft verweerster bepaald wat een diskjockey in Nederland gemiddeld per gewerkte avond kan verdienen en op dit gemiddelde een wederom gemiddeld bedrag aan kosten voor apparatuur en muziekabonnementen in mindering gebracht. Voorts heeft verweerster aangenomen dat een diskjockey die in een vergelijkbare situatie verkeert als appellant op Ibiza, gedurende de vakantieperiode (8 weken in juli en augustus) 7 dagen per week werkt, voorts gedurende 40 weken alleen de vrijdag en de zaterdag werkt en gedurende de resterende periode zelf vakantie geniet.

Aldus is verweerster gekomen tot de in het bestreden besluit genoemde grondslag.

De Raad is van oordeel dat verweerster aldus op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn eerder genoemde uitspraak. Bij gebreke van ieder gegeven over het werkelijke inkomen dat appellant met zijn werkzaamheden als diskjockey op Ibiza heeft verdiend, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat in casu sprake is van een acceptabel resultaat.

Het vorenstaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het uitblijven van een besluit ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 23 juni 2005,

nr. 04/1895 WUV, niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het tegen het besluit van verweerster van 15 november 2005, kenmerk BJZ/2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.