Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
05/6677 AOR-S
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grondslagvaststelling ten aanzien van oorlogsslachtoffer dat ten tijde van overkomen oorlogsletsel nog te jong was om te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6677 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 7 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 29 september 2005, kenmerk 6650/CAOR, door verweerster ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling (hierna: AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen met bijstand van mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door haar secretaris mr. L.H.G. Belleflamme alsmede door mr. R.L.M.J. Gielen.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, in 1939 geboren in het voormalige Nederlands-Indië, in juni 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van tegemoetkomingen ingevolge de AOR (Ordonnantie van 21 februari 1942 van de Gouverneur-Generaal van het toenmalige Nederlands-Indië, Stb. Nederlands-Indië 1942, 59, zoals daarna gewijzigd).

Bij besluit van 20 mei 2005 heeft verweerster appellant aangemerkt als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR en hem als zodanig onder meer toegekend een invaliditeits-uitkering, berekend naar een mate van ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid als gevolg van het oorlogsletsel van 100% en een uitkeringsgrondslag van f 75,--.

Het tegen dit besluit namens appellant ingediende bezwaar, de hoogte van de uitkeringsgrondslag betreffende, heeft verweerster bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard.

In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AOR, voorzover van belang en kort samengevat, wordt als grondslag voor de uitkering genomen 1/12 gedeelte van het inkomen gedurende het jaar voorafgaande aan de dag waarop het oorlogsletsel aan het oorlogsslachtoffer is overkomen. Indien het oorlogsslachtoffer nog geen jaar in het genot van arbeidsinkomen was, wordt volgens het tweede lid een bedrag van f 275,-- genomen als het oorlogs-slachtoffer academisch gevormd was en anders een door verweerster te bepalen bedrag, waarbij het einddiploma van een middelbare school op zichzelf gewaardeerd dient te worden met f 125,--.

Verweerster heeft, naar blijkt uit de stukken en ter zitting nader is toegelicht, op grond van artikel 16, tweede lid, AOR de

- zoals alle grondslagen naar het huidige welvaarts-niveau te indexeren - grondslag voor een oorlogsslachtoffer dat ten tijde van het overkomen oorlogsletsel nog niet de leeftijd had voor deelname aan het arbeidsproces vastgesteld op f 75,--.

Uit de stukken blijkt verder dat bij de toe te kennen aanpassingstoeslagen elke grondslag lager dan f 200,-- wordt opgetrokken tot dit bedrag.

In aanmerking genomen het karakter van de AOR als arbeidsongeschiktheidsregeling, en gelet op de andere in dit artikellid genoemde grondslagbedragen, acht de Raad hier sprake van een alleszins redelijke uitleg en toepassing van artikel 16, tweede lid, van de AOR.

Voor de namens appellant bepleite toepassing, waarbij - zonodig met toepassing van de in artikel 7 van de AOR vervatte anti-hardheidsbepaling - rekening wordt gehouden met het na de oorlog bereikte inkomensniveau biedt de AOR, gelet op het hierin uitdrukkelijk vastgelegde peilmoment voor de berekening van de grondslag, geen ruimte.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.