Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
05-2512 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk strafontslag niet onevenredig. Terugvordering teveel betaalde reiskosten.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2512 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2005, 04/3261 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 30 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] van de dienst Materiële Ondersteuning (DMO) bij de politieregio Amsterdam-Amstelland en woonachtig in Amsterdam. Appellant heeft in december 2001 een formulier ingediend waarin hij heeft aangegeven per

1 december 2001 te zijn verhuisd van Amsterdam naar Drachten. Als gevolg hiervan heeft appellant vanaf 1 december 2001 de maximale reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer van € 130,- netto per maand ontvangen op grond van het tenminste viermaal per week reizen tussen Amsterdam en Drachten. In maart 2003 heeft een medewerkster van de afdeling Personeelszaken van DMO aan appellants leidinggevende meegedeeld dat zij appellant op werkdagen in de omgeving van zijn voormalige woonadres in Amsterdam heeft gezien. Daarop is appellant op 10 maart 2003 door zijn direct leidinggevende over de feitelijke situatie bevraagd en heeft de Officier van Justitie aan de politie opdracht gegeven een opsporingsonderzoek in te stellen naar mogelijk strafbare gedragingen van appellant.

1.2. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek waarbij bleek dat appellant met zijn dochter tot 1 oktober 2002 doordeweeks verbleef in zijn tot die datum aangehouden huurwoning en sindsdien doordeweeks met zijn dochter bij haar moeder logeerde, is appellant bij besluit van 1 oktober 2003 op grond van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld. Bij besluit van 2 februari 2004 heeft de korpsbeheerder aan appellant zijn voornemen meegedeeld hem met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en heeft hij appellant op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b, van het Barp geschorst. Bij besluit van 29 maart 2004 heeft de korpsbeheerder appellant op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp de straf van disciplinair ontslag met onmiddellijke ingang opgelegd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant zich aan zeer ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt door het valselijk opmaken van een verhuisformulier als gevolg waarvan reiskosten zijn vergoed die niet daadwerkelijk zijn gemaakt en door deze situatie te laten voortbestaan terwijl appellant wist dat hij geen recht had op de vergoeding.

Tegen al deze besluiten is namens appellant bezwaar gemaakt.

1.3. Bij het bestreden besluit van 2 juni 2004 heeft de korpsbeheerder het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2004 inzake het opgelegde disciplinaire ontslag gegrond verklaard en het besluit in die zin gewijzigd dat de straf van ontslag niet ten uitvoer wordt gebracht onder de voorwaarde dat appellant zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan vergelijkbaar of enig ander (ernstig) plichtsverzuim. Daartoe heeft de korpsbeheerder overwogen dat appellant door eigen ingrijpen een einde had moeten maken aan de situatie waarin hij een vergoeding voor reiskosten ontving die hij niet daadwerkelijk maakte. Voor het overige heeft de korpsbeheerder de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten gehandhaafd.

2. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep is namens appellant - in essentie - aangevoerd dat appellant actief en passief misleid is van de zijde van de politieregio en niet wist of redelijkerwijs kon weten dat hij geen recht had op de vergoeding, zodat geen sprake is van plichtsverzuim. Subsidiair is aangevoerd dat indien plichtsverzuim wordt aangenomen de opgelegde straf onevenredig is en dat - in navolging van het advies van de hoor- en adviescommissie - met een schriftelijke berisping had moeten worden volstaan.

3.2. De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Appellant heeft in december 2001 een formulier ingediend waarin hij heeft aangegeven per 1 december 2001 te zijn verhuisd van Amsterdam naar Drachten. De korpsbeheerder heeft dit formulier uitgelegd en ook mogen uitleggen als inhoudende dat appellant in Drachten woont en dat hij derhalve in beginsel elke werkdag van en naar Drachten reist. Nu appellant heeft verzuimd te vermelden dat hij doordeweeks in Amsterdam verbleef en enkel het weekeinde doorbracht in Drachten, is op basis van dit formulier - overeenkomstig de Regeling reiskosten woon-werkverkeer 2001-2003 - aan appellant van december 2001 tot oktober 2003 een tegemoetkoming in de reiskosten verstrekt als reisde hij tenminste gemiddeld vier dagen per week tussen Drachten en Amsterdam. Appellant ontving derhalve een vergoeding voor reiskosten inzake woon-werkverkeer die hij niet maakte. Nu appellant feitelijk niet tenminste gemiddeld vier dagen per week reisde over een afstand van meer dan 21 kilometer had appellant geen recht op deze tegemoetkoming. Dat appellant volgens eigen zeggen meer reiskosten maakte dan de toegekende € 130,- per maand, maakt de toekenning niet rechtmatig, nu blijkens het dienstvoorschrift niet de feitelijke reiskosten maar de dagelijks te reizen afstand van en naar het feitelijke woonadres bepalend is voor de hoogte van de toe te kennen tegemoetkoming.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant wist dan wel redelijkerwijs kon en behoorde te weten dat hij geen recht op de toegekende tegemoetkoming had. Daartoe overweegt de Raad dat het zozeer voor de hand ligt dat een toe te kennen tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer gerelateerd is aan het feitelijke reizen tussen woonplaats en plaats van tewerkstelling, dat appellant zich moet hebben gerealiseerd dat hij geen recht op de toegekende tegemoetkoming had. Gelet hierop heeft appellant aan eventuele andersluidende uitlatingen van inzake de reiskostenvergoeding onbevoegde derden niet zonder meer het vertrouwen mogen ontlenen dat hij er wel recht op had. Ook aan de brochure “Recht in de regio” heeft appellant niet in redelijkheid het vertrouwen kunnen ontlenen dat het feitelijke woon-werkverkeer er niet toe deed, onder meer nu niet gebleken is dat een situatie als die van appellant in de brochure is vermeld. Bovendien is door appellant niet weersproken dat in deze brochure is opgenomen dat geen rechten aan de daarin opgenomen informatie kunnen worden ontleend. Appellant had gezien zijn ongebruikelijke woonsituatie de juiste, rechtens geldende informatie kunnen verkrijgen door het betreffende op intranet gepubliceerde dienstvoorschrift of de inzake de reiskostenvergoeding bevoegde personen te raadplegen, hetgeen appellant niet heeft gedaan.

4.3. De Raad overweegt dat weliswaar niet evident is dat appellant het formulier onjuist heeft ingevuld, nu op het adreswijzigingsformulier het begrip woonadres niet nader is gedefinieerd, maar dat deze omstandigheid niet wegneemt dat appellant in redelijkheid wist dan wel heeft moeten begrijpen dat invulling van het formulier zou leiden tot aan-passing van zijn reiskostenvergoeding. Op het formulier was immers vermeld dat een kopie bestemd was voor het Bureau Salarissen. Gelet hierop had appellant het formulier niet mogen indienen zonder tevens de werkelijke situatie te melden. De omstandigheid dat appellant de hoge tegemoetkoming niet expliciet heeft aangevraagd, doet er niet aan af dat appellant aan de bel had behoren te trekken op het moment dat hij een vergoeding ontving waarop hij geen recht had.

4.3.1. Daar komt bij dat appellant ook naar aanleiding van het gesprek in maart 2003 met zijn direct leidinggevende

[v. H.] verzuimd heeft om nadere actie te ondernemen, waardoor hij de hoge vergoeding heeft ontvangen ten onrechte tot oktober 2003. Gelet op de bewoordingen van het gespreksverslag, heeft appellant aan dit gesprek naar het oordeel van de Raad in redelijkheid niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij geen actie hoefde te ondernemen. [v. H.] heeft in dit gesprek immers aangegeven dat hij een en ander niet juist achtte.

4.4. Bovenstaande leidt ertoe dat er voldoende grondslag is voor het oordeel van de korpsbeheerder dat appellant de situatie, waarbij hij een tegemoetkoming ontving voor reiskosten waarvan hij kon weten dat hij er geen recht op had, niet had mogen laten voortbestaan en dat hij door niet in te grijpen plichtsverzuim heeft gepleegd als bedoeld in artikel 76 van het Barp.

4.5. Dat de Nationale ombudsman het instellen van het opsporingsonderzoek en de gehanteerde opsporingsmiddelen als onevenredig heeft aangemerkt, kan aan het oordeel van de Raad dat appellant plichtsverzuim heeft gepleegd, niet afdoen.

4.6. De korpsbeheerder was derhalve bevoegd appellant te straffen.

4.7. De Raad acht de opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig, gelet op de hoge integriteitseisen die de korpsbeheerder aan appellant mocht stellen, temeer nu hij een vertrouwensfunctie vervulde.

4.8. Het voorgaande betekent dat het besluit tot voorwaardelijk ontslag in stand kan blijven.

4.9. Met betrekking tot de aan het voorwaardelijk ontslag voorafgegane besluiten tot buitenfunctiestelling en schorsing, oordeelt de Raad dat deze eveneens in stand kunnen blijven. Daartoe overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie ten aanzien van ordemaatregelen (bijvoorbeeld CRvB 16 juni 2005, LJN AT8228), dat er ten tijde van de primaire besluiten sprake was van een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim waardoor er aan de integriteit van appellant moest worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in hem te stellen vertrouwen was geschaad. De korpsbeheerder heeft op die grond redelijkerwijs kunnen menen dat het niet aanvaardbaar was dat hij zijn werkzaamheden bleef verrichten. Ook was voldaan aan de voor schorsing in artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b, van het Barp neergelegde voorwaarde dat - voorzover hier relevant - de ambtenaar het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit standhoudt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.