Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
05-1387 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juiste beperkingen in acht genomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1387 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2005, 04/455 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van Wolde, werkzaam bij Rechtshulp Noord, Bureau Friesland (thans: Vestiging Groningen), hoger beroep ingesteld en aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2006.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als audiciën toen hij zich op 27 september 1989 ziek meldde als gevolg van pijnklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 28 september 1990 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien is appellant in de periode van september 1990 tot september 1996 met enige regelmaat verzekeringsgeneeskundig onderzocht, laatstelijk in die periode op 30 augustus 1996. Bij die onderzoeken was in hoofdzaak steeds sprake van pijn in de linker borst, linker arm en ook in het linker been. Blijkens het rapport van de verzekeringsarts

T. Bosma van 2 september 1996 was appellant via het pijnteam verwezen naar een psychiater – in een eerder rapport van

27 juli 1995 was onder andere sprake van een vermoeden van een vitaal depressief syndroom bij appellant – en een neuroloog. Voorts is aangegeven dat in overleg besloten was eerst het neurologische traject te volgen. Bosma concludeerde toen dat appellant, gezien het klachtenbeeld, de ernst en de onvoorspelbaarheid van de klachten, alsmede de gevolgen voor het dagelijks leven, ondanks het ontbreken van een somatische oorzaak niet in staat was arbeid te verrichten.

Appellant is in het kader van de zogenoemde vijfdejaars herbeoordeling op 13 augustus 2003 onderzocht door de verzekeringsarts Sh. Smeding. Deze arts beschreef in zijn rapport van dezelfde datum de klachten en de door appellant ondervonden belemmeringen, alsmede het dagverhaal. Smeding achtte de klachten plausibel en consistent bij onderzoek. Hij concludeerde niet dat sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en nam beperkingen aan in zware rugbelasting, alsmede ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico, werk in hoog tempo en werk met frequente deadlines. Smeding legde zijn bevindingen vast in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 augustus 2003. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 10 september 2003 selecteerde de arbeidsdeskundige

H. Donker blijkens het rapport van 16 september 2003 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdiencapaciteit op 36,1%.Vervolgens nam het Uwv het besluit van

22 september 2003, gecorrigeerd wat betreft het uitkeringsbedrag bij besluit van 27 oktober 2003, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 november 2003 werd voortgezet naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

In de bezwaarprocedure is namens appellant ter hoorzitting gewezen op de klachten, de lange duur daarvan, de aanpassing van het dagritme daaraan, de acceptatie van de klachten, het feit dat het net een beetje beter ging met appellant, alsmede op de terugslag die appellant ondervond van het keuringsproces. De bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms, die beschikte over het overzichtjournaal van de huisarts en informatie van 25 februari 2004 van de GZ-psycholoog P.A. Andela, bij wie appellant sedert 28 november 2003 onder behandeling was, stelde in zijn rapport van 15 maart 2004 vast dat er in essentie nooit somatische afwijkingen van betekenis zijn geweest en dat Smeding met het aannemen van beperkingen voor rugbelastingen, zonder anatomisch substraat daarvoor, appellant zeker niet tekort heeft gedaan. Storms wees er voorts op dat uit de medische gegevens van de huisarts niet bleek dat appellant depressief was geworden en dat in de verwijsbrief naar de psycholoog geen melding is gemaakt van depressieve klachten. Ook de psychische beperkingen achtte Storms al met al voldoende.

Daarna verklaarde het Uwv bij besluit van 18 maart 2004 het bezwaar van appellant ongegrond.

In de beroepsprocedure heeft de gemachtigde van appellant een brief van de arts P.J. Tromp van 4 juni 2004 en vervolgens nadere informatie van Andela van 22 november 2004 overgelegd.

Desgevraagd door de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius in het rapport van 12 mei 2004 een nadere toelichting verstrekt ten aanzien van de belastende aspecten in de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies in het licht van de belastbaarheid van appellant. Daarbij heeft Langius vastgesteld dat appellant niet beperkt was op zogenoemde niet-matchende onderdelen. In een nader rapport van 22 oktober 2004 heeft Langius aangegeven dat de functie telefonist toeristenbond in verband met de vereiste beheersing van de Engelse taal diende te vervallen en dat daarvoor in de plaats kwam de eerder door Donker geselecteerde functie statistisch medewerker. Ook deze functie voorzag Langius van een nadere toelichting als hiervoor bedoeld. Het verlies aan verdiencapaciteit kwam hierdoor uit op 36,72%.

De rechtbank overwoog in de aangevallen uitspraak dat de verklaringen van Tromp en Andela haar geen aanleiding hebben gegeven te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant aangenomen beperkingen. De rechtbank achtte met name niet aannemelijk geworden dat appellant ten tijde van de datum in geding leed aan een depressie. De rechtbank oordeelde wat betreft de arbeidskundige grondslag dat appellant met zijn krachten en bekwaamheden op de datum in geding moest worden geacht de overgebleven functies te kunnen vervullen. Omdat het Uwv niet reeds bij het besluit van 18 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit), maar eerst in beroep een nadere toelichting had gegeven omtrent de geschiktheid van appellant voor deze functies, vernietigde de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716 e.v.) en onder gegrondverklaring van het beroep – het bestreden besluit, maar liet zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De rechtbank besliste tevens omtrent vergoeding door het Uwv van griffierecht en proceskosten aan appellant.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant betoogd dat hij aanzienlijk verdergaande beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Voorts heeft de gemachtigde aangegeven waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies naar zijn mening niet geschikt zijn voor appellant. Om al deze redenen heeft de rechtbank volgens de gemachtigde ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten.

De Raad heeft geen aanleiding gezien omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij tekent daarbij aan dat, zoals Storms reeds in de bezwaarprocedure opmerkte, Andela op 25 februari 2004 geen specifieke diagnose vermeldde, maar alleen de klachten van appellant en de door hem beleefde ernst daarvan weergaf. Uit deze brief valt, evenals uit het journaal van de huisarts, zoals ook door Storms was aangegeven, niet af te leiden dat appellant op de datum in geding depressief was. Ook Andela wees trouwens in zijn brief van

22 november 2004 op de versterking van het klachtenbeeld in verband met de recente WAO-procedure en gaf eerst in deze brief, derhalve ongeveer een jaar na de datum in geding, aan dat sprake is van een dysthyme stoornis en een aanpassingsstoornis.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de in geding zijnde schatting ziet de Raad evenmin aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad wijst erop dat hij voorbijgaat aan de bezwaren van appellant tegen de geduide functies, voor zover deze in verband staan met het daarin vereiste handelingstempo en het klantencontact. Appellant is immers daarvoor niet beperkt geacht en uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de medische grondslag van de schatting valt niet af te leiden dat zulks ten onrechte is geschied. Voorts is de Raad op basis van de aangegeven zitbelasting in de functies boekhouder, loonadministrateur (SBC-code 315040), statistisch medewerker (SBC-code 451050) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) niet gebleken dat deze belasting de in de FML aangegeven lichte beperkingen ten aanzien van het zitten overstijgt.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en C.W.J. Schoor en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) C.D.A. Bos.