Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
05-1204 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekmelding vanuit WW-uitkeringssituatie. Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor in kader WAO-schatting geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1204 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 januari 2005, 04/747 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M.A. van der Put, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2006.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is werkzaam geweest als produktiemedewerker betonindustrie bij [naam werkgever]. Op 3 juli 2000 is appellant als gevolg van een bedrijfsongeval waarbij hij een gecompliceerde beenfractuur heeft opgelopen, arbeidsongeschikt geworden. Naar aanleiding hiervan is aan appellant met ingang van 2 juli 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij in bezwaar gehandhaafd besluit van 13 september 2002 is de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van

12 november 2002 ingetrokken, omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WAO. Aan dat primaire besluit lag onder meer ten grondslag een arbeidskundig rapport van 11 september 2002, waarin de voor appellant destijds geschikt geachte functies zijn vermeld. Bij uitspraak van 16 juli 2003 heeft de rechtbank Roermond het tegen het betreffende besluit op bezwaar van 6 februari 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich op 23 oktober 2003 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens duizeligheidsklachten ziek gemeld. Naar aanleiding van dit ziektegeval is appellant laatstelijk op 18 november 2003 op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts. Deze constateerde dat bij eerder onderzoek terzake van een ziektegeval van

24 juni 2003 geen pathologische bevindingen waren gedaan en achtte appellant geschikt voor de in september 2002 aan appellant voorgehouden functies, bij voorbeeld die van spuiter (Sbc-code 262170) en van inpakker (Sbc-code 111190). Bij besluit van 18 november 2003 is vervolgens aan appellant met ingang van 19 november 2003 geen ziekengeld meer toegekend.

Naar aanleiding van het bezwaar tegen dit besluit is appellant op 26 februari 2004 gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die op grond van anamnestische gegevens vaststelde dat onderzoek door een KNO-arts en een neuroloog in het verleden geen verklaring voor de klachten had opgeleverd. Uit nader arbeidskundig onderzoek bleek dat bij het merendeel van de in het verleden geselecteerde functies geen noemenswaardige gevaaropleverende situaties voorkwamen, zodat appellant voor deze functies onveranderd geschikt werd geacht. Bij besluit van 4 maart 2004 is het bezwaar tegen het primaire besluit van 18 november 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich op 22 maart 2004, weer vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet, wegens hoofdpijn en duizeligheid ziek gemeld. Appellant is op 31 maart 2004 gezien door een verzekeringsarts, die hem gelet op de bevindingen bij onderzoek met ingang van 1 april 2004 niet ongeschikt achtte voor meerbedoelde functies. Bij besluit van

2 april 2004 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van 1 april 2004 geen ziekengeld meer toegekend. In de bezwaarfase is appellant gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die heeft vastgesteld dat de duizeligheidsklachten met medicatie redelijk onder controle waren. Gelet op de klachten diende rekening te worden gehouden met een beperking voor werk dat bijzondere risico’s meebracht, zoals het werken op gevaarlijke plaatsen, met gevaarlijke machines en het beroepsmatig autorijden. Aangezien uit voormeld arbeidskundig onderzoek was gebleken dat bij de aldaar bedoelde functies geen sprake was van een verhoogd persoonlijk risico is het bezwaar bij besluit van 11 mei 2004 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, daarbij overwegende dat er geen reden is om te twijfelen aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Gelet op de bevindingen bij de verschillende verzekeringsgeneeskundige onderzoeken en de door appellant in dat kader verstrekte informatie over de resultaten van onderzoek in de behandelend sector verenigt de Raad zich met het standpunt van het Uwv dat voor de betrokken verzekeringsartsen geen noodzaak bestond nadere inlichtingen in te winnen bij de behandelend KNO-arts. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De door appellant in hoger beroep overgelegde brieven van KNO-arts

dr. A.J.E.M. Fischer vormen geen reden voor een ander oordeel, nu daaruit niet blijkt dat deze specialist een afwijking heeft gevonden ter verklaring van appellants klachten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.