Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
04-5030 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Maatstaf voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5030 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 augustus 2004, 03/2810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. C.P. Höweler. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als salesmanager bij [naam werkgever 1] in een tijdelijk dienstverband voor 36 uur per week toen hij zich met ingang van 24 januari 2001 ziek meldde als gevolg van een ongeluk met zijn mountainbike. Na afloop van dit dienstverband per 1 juni 2001 heeft appellant ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Met ingang van 4 juli 2001 is aan appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Van 1 september 2001 tot 1 mei 2002 is appellant in dienst van [werkgever 2] voor 32 uur per week werkzaam geweest als verkoopmedewerker. Met ingang van 1 mei 2002 heeft appellant een WW-uitkering ontvangen, die is samengesteld uit een loongerelateerde uitkering van 4 uur per week welke is aangevangen op 4 juli 2001 en op een loongerelateerde uitkering van 32 uur per week. Van 13 mei 2002 tot 11 juni 2002 heeft appellant als taxibuschauffeur parttime werkzaamheden verricht bij [werkgever 3] In de gewerkte uren is steeds het oude WW-recht van 4 uur beëindigd en zijn de overige gewerkte uren gekort op de WW-uitkering van 32 uur. Na beëindiging van de werkzaamheden als taxibuschauffeur zijn beide WW-rechten weer volledig uitbetaald aan appellant. Van 1 tot 18 november 2002 heeft appellant ziekengeld ontvangen na een ongeval in een bus, waarbij hij met zijn hoofd tegen de voorruit is gekomen. Vanaf 28 april 2003 is appellant toegelaten tot het experiment “inkomstenverrekening startende zelfstandigen”. Hij heeft zich op 26 mei 2003 ziek gemeld wegens een toename van zijn klachten.

Appellant heeft op 10 juli 2003 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft hem per 14 juli 2003 voor zijn eigen, respectievelijk oorspronkelijk werk hersteld verklaard, waarna het Uwv bij besluit van 17 juli 2003 heeft beslist dat met ingang van 14 juli 2003 geen recht (meer) bestaat op ziekengeld. Het Uwv heeft bij besluit van 29 oktober 2003 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat de rechtbank in navolging van het Uwv ten onrechte als “zijn werk” heeft aangemerkt de functie van taxibus-chauffeur. Appellant is van mening dat onder “zijn werk” moet worden verstaan het werk dat hij verrichtte in de functie van verkoopmedewerker. Appellant stelt verder dat hij vanwege nek- en hoofdpijnklachten, concentratie- en geheugenproblemen niet in staat is zijn werk te verrichten. Hij heeft daarbij aangegeven dat inmiddels de diagnose “burnout” is gesteld.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met appellant van mening dat in dit geval als maatstaf voor de arbeid het werk als verkoopmanager dient te worden gehanteerd. Mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 december 2005, LJN: AU9098, overweegt de Raad dat het van 13 mei 2002 tot 11 juni 2002 verrichten van de werkzaamheden als taxibuschauffeur er slechts toe heeft geleid dat de WW-uitkering, die appellant voor het grootste recht ontleende aan zijn werk als verkoopmanager, deels niet tot uitbetaling kwam, terwijl de WW-uitkering na het beëindigen van de werkzaamheden als taxibuschauffeur weer is voortgezet.

De Raad heeft geen aanleiding voor twijfel aan het medisch oordeel van met name de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in staat was onder meer zijn werkzaamheden als verkoopmanager te verrichten. Deze arts heeft blijkens zijn rapportage van 1 en 27 oktober 2003 geen medisch redenen aanwezig geacht om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts en heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsarts bij lichamelijk onderzoek geen bijzonderheden van belang aan de nek heeft gevonden en evenmin aanwijzingen voor aandacht-, geheugen- of concentratiestoornissen. De bezwaarverzekeringsarts heeft tijdens de hoorzitting evenmin aanwijzingen voor cognitieve functiestoornissen gevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft verder aangegeven dat dit beeld is bevestigd door de rapportage van het Whiplash Instituut Nederland, waarin is aangegeven dat appellant weliswaar klachten heeft en hierin een integere indruk maakt, maar dat er nauwelijks relevante bevindingen zijn. De neuro-psycholoog heeft behoudens een wat verhoogde afleidbaarheid geen afwijkingen gevonden, en de neuroloog en de fysiotherapeut hebben op lichamelijk gebied evenmin afwijkingen gevonden.

De Raad stelt verder vast dat appellant in het beroepschrift zijn eerder in de beroeps-procedure ingenomen standpunt dat er inmiddels sprake is van een “burnout” heeft herhaald. Dit standpunt is ook in hoger beroep niet nader onderbouwd door objectieve medische gegevens, zodat de Raad aan dit standpunt niet die waarde kan hechten die appellant daaraan gehecht wil zien.

Concluderend is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en C.W.J. Schoor en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) C.D.A. Bos.