Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
04-2415 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2415 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 maart 2004, 03/2009 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2006. Namens appellant is mr. Voets verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of het Uwv terecht de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 april 2003 heeft ingetrokken.

Appellant is op 8 december 1997 als gevolg van klachten aan de linkerarm arbeidsongeschikt geworden voor zijn werk als medewerker lakkerij. Later kreeg hij ook klachten aan de linkerhand en psychische klachten. Met ingang van 7 december 1998 is aan hem een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Begin 2001 heeft de psychiater J.D.J. Tilanus appellant op verzoek van de verzekeringsarts onderzocht. Op basis van verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij naast het rapport van Tilanus ook inlichtingen van de behandelend artsen van appellant zijn betrokken, is de belastbaarheid van appellant omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met inachtneming hiervan heeft de arbeids-deskundige voor appellant functies geselecteerd waarmee hij een zodanig inkomen kon verdienen dat sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Daarop is de WAO-uitkering met ingang van 19 april 2003 ingetrokken.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de psychiater Tilanus op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts een commentaar gegeven op de van de zijde van appellant ingebrachte brieven van zijn voormalig behandelend psychiater

H. Hoefsloot en zijn behandelend psychiater W.C. Bohlmeijer. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde op basis van alle beschikbare gegevens dat er geen reden was voor het aannemen van verdergaande medische beperkingen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij zijn heroverweging enkele van de geselecteerde functies niet gehandhaafd. Een schatting op basis van drie reeds bij de primaire schatting aan appellant voorgehouden functies leverde opnieuw een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% op. Daarop is bij besluit van 27 augustus 2003 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant een commentaar van zijn psychiater Bohlmeijer op de rapporten van de psychiater Tilanus overgelegd en is hij ingegaan op zijn psychische en lichame-lijke klachten en de hem voorgehouden arbeidsmogelijkheden.

De rechtbank is gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder met name de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen en de psychiater Tilanus, tot het oordeel gekomen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. De brieven van de psychiaters Hoefsloot en Bohlmeijer brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu deze volgens de rechtbank een voldoende onderbouwing missen. Ook de stelling van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten aan de linkerarm en -hand is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende medisch onderbouwd. De bezwaren op arbeidskundig vlak acht de rechtbank voldoende weerlegd door de bezwaararbeids-deskundige. Het beroep is ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant grieven van medische en arbeidskundige aard aangevoerd.

De Raad heeft de psychiater H.A. Droogleever Fortuyn als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft onder dagtekening 4 september 2006 van zijn onderzoek, dat hij samen met S. Cinar, psychiater in opleiding, heeft verricht, verslag uitgebracht. De deskundige heeft de door de Raad gestelde vragen als volgt beantwoord. Vanwege de sterke aanwijzingen voor simulatie kon een eventueel psychiatrisch toestandsbeeld niet beoordeeld worden. Op grond van de ter beschikking staande gegevens kon alleen worden vastgesteld dat er sprake was van de waarschijnlijkheid van simulatie, hetgeen geen psychiatrische ziekte of gebrek impliceert. Eventueel aanwezige psychiatrische stoornissen konden daardoor niet worden vastgesteld. De deskundige kon zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en achtte appellant in staat tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Een nader deskundigenonderzoek achtte de deskundige niet nodig.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken, is de Raad niet gebleken. De Raad is van oordeel dat het rapport berust op een diepgaand en zorgvuldig onderzoek, waarbij ook is ingegaan op de bevindingen van de behandelend psychiaters. De conclusies zijn op gedegen wijze gemotiveerd. De door appellant overgelegde reactie van de psychiater Bohlmeijer op het rapport van de deskundige houdt niet een zodanig gemotiveerd en andersluidend

standpunt in ten opzichte van de bevindingen van de deskundige dat de Raad het noodzakelijk acht de deskundige alsnog om een commentaar op dat stuk te vragen. Voorts ziet de Raad geen aanleiding om een nader deskundigenonderzoek te doen verrichten om organisch cerebrale defecten als oorzaak van bepaalde testresultaten uit te sluiten. De Raad concludeert dan ook dat niet is gebleken dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant heeft overschat. Wat betreft de klachten van linkerhand en -arm stelt de Raad vast dat de bezwaarverzekeringsarts, mede op basis van eigen onderzoek naar de functionele mogelijkheden van linkerhand en -arm, de door de primaire verzekeringsarts aangegeven functionele mogelijkheden heeft bevestigd. De stelling dat deze klachten al dan niet in combinatie met andere klachten invaliderend zijn heeft appellant niet nader onderbouwd.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft een nadere selectie gemaakt van de appellant bij de eerste arbeidskundige beoordeling voorgehouden functies en daarbij met name rekening gehouden met het opleidings- en ervaringsniveau van appellant en met de klachten van de linkerhand en -arm. Dat appellant niet in staat zou zijn in wisselende diensten te werken is niet nader onderbouwd, terwijl uit de stukken blijkt dat in het maatmanloon een ploegentoeslag is begrepen.

De Raad komt tot de slotsom dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit op zorgvuldige wijze zijn heroverwogen en dat is komen vast te staan dat deze het bestreden besluit kunnen dragen. De rechtbank heeft het beroep van appellant terecht ongegrond verklaard.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.