Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
05-1151 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1151 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2005, 04/2629

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 22 januari 2002 uitgevallen voor zijn werk als heftruckchauffeur.

Bij besluit van 28 november 2002 heeft het Uwv appellant per einde wachttijd, 21 januari 2003, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij besluit van 20 augustus 2003 heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 21 januari 2003, de datum in geding. De verzekeringsarts heeft aangenomen dat appellant is aangewezen op routinematig werk, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Voorts is appellant beperkt geacht ten aanzien van duwen of trekken, frequent zware lasten hanteren, lopen en staan. De beroepsgrond dat de schatting van de arbeidsongeschiktheid prematuur is geweest, nu het effect van de behandeling op de klachten van appellant niet is afgewacht, is door de rechtbank verworpen, overwegende dat appellant niet heeft gesteld wie de behandelaar is, vanaf wanneer hij onder behandeling is en dat de behandelaar een afwijkend standpunt heeft over zijn beperkingen. Ook zijn door appellant geen medisch objectiveerbare gegevens in geding gebracht die steun geven aan zijn opvatting dat op de datum in geding van verdergaande beperkingen zou moeten worden uitgegaan. De door appellant gestelde gunstige prognose is niet van invloed op de vaststelling van de belastbaarheid op de datum in geding. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de belasting in de geselecteerde functies, te weten machinaal metaalbewerker, productiemedewerker industrie en samensteller metaalwaren, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en dat appellant met die functies een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts nadere informatie had moeten inwinnen bij de huisarts van appellant over de te verwachten ontwikkeling van zijn klachten in de periode vanaf het einde van de wachttijd. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 juni 2003 en 7 augustus 2003 blijkt wel dat inlichtingen bij de huisarts zijn ingewonnen, maar daaruit valt niet op te maken in hoeverre er sprake is geweest van een verbetering of verslechtering van de toestand sedert de datum einde wachttijd. Nu de bezwaarverzekeringsarts hierover geen nadere inlichtingen heeft opgevraagd, is het medisch onderzoek volgens appellant niet voldoende zorgvuldig geweest.

De Raad kan het oordeel van de rechtbank volledig onderschrijven en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. Daaraan kan worden toegevoegd dat het bestreden besluit ziet op de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, de ontwikkeling van appellants klachten na die datum is voor die beoordeling in beginsel niet relevant. Overigens betreft de informatie van de huisarts, zoals weergegeven in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, mede de periode na einde wachttijd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in deze informatie geen aanleiding behoeven te zien appellant op de datum in geding meer beperkt te achten, noch was deze informatie van dien aard dat de bezwaarverzekeringsarts nadere inlichtingen bij de huisarts had moeten inwinnen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.