Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
05-5087 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om met terugwerkende kracht bezoldiging toe te kennen, voor uren waarvoor betrokkene op eigen verzoek in verband met arbeidsongeschiktheid ontslag is verleend. Herhaalde aanvraag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5087 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 juli 2005, 03/1115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Financiën (hierna: minister).

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door

D. van Zoelen, werkzaam bij de CMHF te Leidschendam.

De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.S. Tibben, werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Het geding is gevoegd behandeld met het geding (04/3641 WAO) tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Na de behandeling ter zitting is de gevoegde behandeling gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, sinds 1 september 1978 werkzaam bij de Belastingdienst te Gorinchem, is in 1984 geopereerd aan een HNP, waaraan zij een parese en atrofie aan het rechterbeen heeft overgehouden. Op 11 november 1996 is appellante opnieuw uitgevallen met rugklachten. Deze periode van ongeschiktheid heeft geduurd tot 6 juni 1997, toen appellante voor 100% hersteld is verklaard. In overleg met haar leidinggevende is appellante, met behoud van haar volledige aanstelling, met ingang van 6 juni 1997 feitelijk 32 uur per week gaan werken. Appellante heeft vanaf dat moment de dinsdag- en donderdagmiddag steeds vrij genomen. De benodigde extra verlofuren zijn aanvankelijk afgeschreven van haar nog niet opgenomen verlofuren over voorgaande jaren. Vanaf 1998 is aan appellante voor haar vakantieperiodes in de zomer onbetaald verlof verleend.

Op 15 november 1999 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld met rugklachten.

De bedrijfsarts heeft haar per 3 april 2000 weer in staat geacht haar werk voor 32 uur per week te verrichten.

1.2. Per 1 januari 2001 is op verzoek van appellante de omvang van haar aanstelling teruggebracht tot 25,2 uur per week. Appellante heeft zich op 12 maart 2001 ziek gemeld als gevolg van een combinatie van werkgerelateerde problemen, belastende privé-omstandigheden en fysieke klachten.

1.3. Appellante heeft bij brief van 15 april 2002 bij de minister een verzoek ingediend om haar met toepassing van artikel 38 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) terzake van reeds per 1 januari 2001 bestaande arbeidsongeschiktheid in aanmerking te doen komen voor doorbetaling met terugwerkende kracht, gedurende 52 weken na ontslag, van de bezoldiging van de arbeidsuren waarvoor haar ontslag werd verleend. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij een arbeidsongeschiktheidskeuring heeft ondergaan, dat aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) zal worden toegekend en dat gelet op haar huidige gezondheidstoestand deze situatie naar verwachting blijvend zal worden. Appellante ervaart de financiële gevolgen van haar beslissing om ontslag te vragen voor een deel van de reguliere werktijd, gelet op de te verwachten verdere arbeidsongeschiktheid als buitengewoon wrang. Bij besluit van 4 september 2002 is dit verzoek afgewezen. Het door appellante ingediende bezwaar tegen het besluit van 4 september 2002 is bij besluit van 14 april 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante niet reeds vóór 1 januari 2001 arbeidsongeschikt was voor de uren waarvoor zij ontslag heeft gekregen. Om die reden bestaat volgens de rechtbank geen recht op bezoldiging op grond van artikel 38, eerste lid, van het ARAR. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellante niet reeds vóór 12 maart 2001 arbeidsongeschikt was zodat appellante geen recht heeft op bezoldiging op grond van artikel 38, tweede lid, van het ARAR. Tenslotte heeft de rechtbank overwogen dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten het verzoek van appellante af te wijzen om haar op voet van artikel 69, eerste lid, van het ARAR een vergoeding te verstrekken.

2. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij aanspraak maakt op haar volledige salaris over 36 uur over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001, primair op grond van artikel 38, eerste lid, van het ARAR en subsidiair op grond van artikel 37, vierde lid, onder c, van het ARAR. Meer subsidiair vordert zij het volledige salaris over

36 uur over de periode van 1 januari 2001 tot 15 mei 2001 en 80% van het volledige salaris over 36 uur over de periode van

15 mei 2001 tot 15 november 2001 op grond van artikel 37, derde lid, van het ARAR en de ziekmelding in november 1999. Voorts acht appellante het oordeel van de rechtbank over artikel 69, eerste lid, van het ARAR onvoldoende gemotiveerd.

3. De Raad overweegt ambtshalve het volgende.

3.1. De rechtbank is met haar oordeel over de afwijzing van een verzoek om vergoeding te verstrekken op grond van

artikel 69, eerste lid, van het ARAR buiten de omvang van het geding getreden, aangezien het bestreden besluit daarop geen betrekking had en ook niet hoefde te hebben. De Raad zal zich om die reden distantiëren van deze overweging van de rechtbank.

3.2. Appellante beoogt met haar beroep tegen het bestreden besluit te bereiken dat zij over het jaar 2001 haar volledige salaris over 36 uur krijgt uitbetaald. Vast staat dat appellante eerst in april 2002, nadat zij een arbeidsongeschiktheidskeuring in het kader van de WAO had ondergaan, een verzoek bij de minister heeft ingediend om betaling van het volledige salaris over 36 uur over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001. Dit betekent dat appellante moet worden geacht tot dan te hebben berust in het betalen van haar salaris over 25,2 uur, zijnde de omvang van haar aanstelling.

3.3. Het verzoek van appellante als bedoeld in 3.2. dient derhalve op één lijn te worden gesteld met een verzoek om terug te komen van een eerder genomen (in rechte vaststaand) besluit en mitsdien met een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.4. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn eerdere beslissing handhaaft, kan een terzake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook de oorspronkelijke beslissing tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.5. In lijn met het vorenstaande had de rechtbank zich in dit geval dienen te beperken tot de vraag of aan het verzoek om uitbetaling van het volledige salaris over 36 uur over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden ten grondslag hebben gelegen. Nu zodanige nova – ten opzichte van de situatie waarin appellante heeft berust – niet naar voren zijn gekomen, had de rechtbank reeds op deze grond tot het oordeel moeten komen dat het beroep van appellante niet kan slagen.

3.6. De aangevallen uitspraak komt derhalve, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.