Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
04-4999 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Schattingsbesluit. Reductiefactor. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4999 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 augustus 2004, 03/1063

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Ruis. Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 30 september 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Bij het besluit van 30 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt, appellant veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht vergoedt.

In de aangevallen uitspraak is overwogen dat het bestreden besluit medisch gezien onvoldoende is gemotiveerd en om die reden niet in stand kan blijven. Voorts heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de wijze waarop appellant de reductiefactor heeft toegepast.

In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank over de verzekeringsgeneeskundige grondslag niet aangevochten.

Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toepassing van de reductiefactor. Voorts heeft appellant gesteld dat hij bij de aangevallen uitspraak ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld.

Wat betreft de toepassing van de reductiefactor overweegt de Raad als volgt.

Appellant heeft de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald aan de hand van een drietal groepen van functies (sbc-codes). Bij zowel sbc-code 111172 als sbc-code 111160 is de functie die het hoogste (gemiddeld) aantal uren per week kent een functie van 37 uur.

De rechtbank heeft overwogen dat de reductiefactor niet juist is toegepast, omdat beide sbc-codes ook functies kennen met een lagere urenomvang.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, eerste volzin, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit), zoals dit ten tijde hier van belang luidde, wordt bij de bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen die algemeen geaccepteerde arbeid in aanmerking genomen waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen.

In zijn uitspraak van 26 oktober 2004, LJN:AR5700 (USZ 2005/3) heeft de Raad - onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie - overwogen dat het standpunt dat bij de bepaling van de reductiefactor binnen een fb-code (thans sbc-code) zou moeten worden uitgegaan van de functie met de geringste urenomvang, in de wet, regelgeving of jurisprudentie geen steun vindt. De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderhavige geval van dat uitgangspunt dient te worden afgeweken. De aangevallen uitspraak is voor zover daarbij de arbeidskundige grondslag onjuist is geacht in strijd met artikel 9 van het Schattingbesluit. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Wat betreft de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling overweegt de Raad als volgt.

De rechtbank heeft aanleiding gezien appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor een bedrag van

€ 323,80.

De Raad neemt aan dat de proceskostenveroordeling betrekking heeft op verleende rechtsbijstand tot het forfaitaire bedrag van € 322,- en voorts op gemaakte reiskosten van € 1,80.

Appellant heeft gesteld dat geen sprake was van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat de rechtbank ten onrechte de proceskostenveroordeling ten bedrage van € 323,80 heeft uitgesproken.

Namens betrokkene heeft haar gemachtigde G. Grote Beverborg, verbonden aan Arcon te Hengelo, te kennen gegeven dat hij aan cliënten op vrijwillige basis ondersteuning verleent en geen vergoeding van onkosten, behoudens reiskosten, in rekening brengt.

Naar het oordeel van de Raad is de door de gemachtigde van betrokkene gegeven ondersteuning bij de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit geen beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: BPB). Derhalve heeft de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte een bedrag van € 322,- in aanmerking genomen. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd wegens strijd met artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op artikel 1, onder c, van het BPB heeft de rechtbank appellant terecht veroordeeld in de proceskosten voor zover die zien op de gemaakte reiskosten van € 1,80.

Voor een proceskostenveroordeling in verband met de behandeling van het hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de volgende beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, behoudens voor zover appellant is veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1,80.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.