Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
05-3630 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplichting om deel te nemen aan het Project Omgevingsvaklieden; herziening van de bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3630 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 april 2005, 04/2120 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus en door D.J. Doets als tolk. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 26 augustus 1997 bijstand laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van het netto-minimumloon.

Bij besluit van 17 december 2003 heeft het College appellant de verplichting opgelegd deel te nemen aan het Project Omgevingsvaklieden.

Bij brief van 7 januari 2004 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 8 januari 2004 in het onderkomen van het Project Omgevingsvaklieden.

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 24 september 2003 herzien en berekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van het netto-minimumloon. Tevens heeft het College besloten appellant met ingang van 12 december 2003 een maatregel op te leggen van 100% van de bijstand gedurende twee maanden.

Bij besluit van 7 april 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2003 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de brief van 7 januari 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2004 ongegrond verklaard voor zover dat besluit ziet op de herziening van de bijstand. Ten slotte heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2004 gegrond verklaard voor zover dat besluit ziet op het opleggen van de maatregel en besloten met ingang van 8 januari 2004 een maatregel op te leggen van 30% gedurende een maand en aansluitend een maatregel van 20% gedurende een maand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 april 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vooraf

De Raad stelt voorop dat, gelet op de in een geding tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 24 oktober 2006 (reg.nr. 05/3633 WWB), inmiddels is komen vast te staan dat appellant geen recht heeft op bijstand over de periode van

1 oktober 2003 tot en met 30 november 2003 en van 1 januari 2004 tot en met 3 mei 2004. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting heeft verklaard, richt het hoger beroep zich uitsluitend tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de aan appellant opgelegde verplichting om deel te nemen aan het Project Omgevingsvaklieden en op de herziening van de bijstand met ingang van 24 september 2003.

Met betrekking tot het opleggen van de verplichting

Ingevolge artikel 106 van de Algemene bijstandswet (Abw), voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan de (voortzetting van de) bijstand verplichtingen verbinden die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.

Blijkens de gedingstukken heeft het Projekt Omgevingsvaklieden onder meer tot doel werkloze “oudkomers” uit de wijk Palenstein toe te leiden naar (gesubsidieerd) werk via een traject dat bestaat uit taaltraining, opleiding en werkervaring. Gelet op deze doelstelling kan de aan appellant opgelegde verplichting om aan het Projekt Omgevingsvaklieden deel te nemen worden aangemerkt als een verplichting als bedoeld in artikel 106 van de Abw zodat het College bevoegd was appellant deze verplichting op te leggen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kansen van appellant op de arbeidsmarkt, onder meer gelet op diens langdurige werkloosheid en gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, laag moeten worden ingeschat en dat deelname aan het Projekt Omgevingsvaklieden zijn kansen op de arbeidsmarkt vergroot. Dat appellant de in het kader van het Projekt Omgevingsvaklieden te verrichten schoonmaak- en onderhouds-werkzaamheden in de wijk Palenstein als vernederend ervaart doet, wat daarvan zij, daaraan niet af.

Met betrekking tot de herziening van de bijstand

De Raad stelt allereerst vast dat in het onderhavige geval de aan appellant verleende bijstand bij het primaire besluit van

20 januari 2004 met ingang van 24 september 2003 is herzien, dat het College die herziening niet heeft beperkt tot een bepaalde periode en bij zijn besluit van 7 april 2004 de herziening met ingang van 24 september 2003 onverkort heeft gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is herzien tot en met de datum van het primaire herzieningsbesluit. In aanmerking genomen dat, gelet op de in het eerder vermelde geding tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 24 oktober 2006 (reg.nr. 05/3633 WWB), vaststaat dat appellant geen recht heeft op bijstand over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 30 november 2003 en van 1 januari 2004 tot en met 3 mei 2004, betekent het voorgaande dat hier kan worden volstaan met beoordeling van de periode vanaf 24 september 2003 tot en met

30 september 2003 en van 1 december 2003 tot en met 31 december 2003.

Het College heeft aan de herziening van de bijstand ten grondslag gelegd dat appellant zijn woning deelt met

A.J. [A.] (hierna: [A.]).

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Abw verhogen burgemeester en wethouders voor een alleenstaande, of een alleenstaande ouder, van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar de bijstandsnorm met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Abw stelt het gemeentebestuur bij verordening vast voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van de verhoging of verlaging wordt bepaald.

Artikel 38, vierde lid, van de Abw biedt de mogelijkheid om de algemene bijstand afwijkend vast te stellen met toepassing van artikel 13, eerste lid, van de Abw.

Ter uitvoering van artikel 38, eerste lid, van de Abw heeft de Raad van de gemeente Zoetermeer de Bijstandsverordening 1998 (hierna: verordening) vastgesteld. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de verordening wordt voor alleenstaanden en alleenstaande ouders die woningdelenden zijn de bijstandsnorm verhoogd met een toeslag van 10% van het netto-minimumloon. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de verordening is een woningdelende een belanghebbende in wiens woning een of meer anderen hun hoofdverblijf hebben al dan niet op basis van een commerciële relatie. Artikel 9 van de verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende kunnen afwijken van de bepalingen van deze verordening, als strikte toepassing van de verordening zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat [A.] ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van appellant. Dat brengt mee dat appellant op grond van artikel 3, tweede lid, in verbinding met 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de verordening recht had op een toeslag van 10% van het netto-minimumloon.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat strikte toepassing van de verordening in zijn geval zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard als bedoeld in artikel 9 van de verordening of dat de omstandigheden van appellant aanleiding hadden moeten geven om de toeslag met toepassing van het bepaalde in

artikel 13, eerste lid, van de Abw, in afwijking van artikel 3, tweede lid, van de verordening vast te stellen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit door het College ingewonnen informatie is gebleken dat [A.] ten tijde hier van belang leefgeld ontving op grond van de AMA-regeling ter hoogte van € 505,80 per maand, zodat hij geacht moet worden een bijdrage te kunnen leveren in de woonkosten.

Appellant heeft van het gegeven dat [A.] ten tijde hier van belang in zijn woning woonde aan het College geen mededeling gedaan. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van die schending is aan appellant over de periode van

24 september 2003 tot en met 30 september 2003 en van 1 december 2003 tot en met 31 december 2003 tot een te hoog bedrag bijstand verleend, zodat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 24 september 2003 te herzien en te berekenen naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 10% van het netto-minimumloon.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond om aan te nemen dat het College ter zake van de herziening een beslissing heeft genomen waartoe hij niet in redelijkheid heeft kunnen komen.

Slotoverweging

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt van de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.N. Rijnsewijn.