Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
06-5710 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Niet voldaan aan de verplichting tot het opeisen van de legitieme portie. Afwijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5710 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2006, 06/3514 en 06/2739 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R.J.G. Schouenberg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekster heeft mr. Schouenberg tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Schouenberg. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Roozeboom, werkzaam bij de gemeente Wijdemeren.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Voor een overzicht van de in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Verzoekster ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Zij woonde, als huurster, in bij haar vader in diens woning. Op 13 maart 2005 is de vader van verzoekster overleden. In het testament is bepaald dat verzoekster wordt uitgesloten van erfgenaamschap en dat de drie broers van verzoekster ieder voor een gelijk gedeelte erfgenaam zijn in de nalatenschap. Verzoekster is na 13 maart 2005, met toestemming van haar broers, als huurster in de woning blijven wonen.

Bij besluit van 5 december 2005 heeft het College, voor zover hier van belang, aan verzoekster de verplichting opgelegd om binnen twee weken door middel van een verklaring aan de executeur van het testament aan te geven dat zij niet berust in het testament en dat zij haar legitieme deel opeist, en om binnen drie weken een bewijsstuk terzake bij het College in te dienen. Bij dit besluit heeft het College aangegeven dat, indien verzoekster niet aan haar verplichting voldoet, dit gevolgen zal hebben voor haar uitkering. Verzoekster heeft tegen het besluit van 5 december 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het College verzoekster medegedeeld dat het recht op bijstand per 1 januari 2006 wordt opgeschort omdat zij niet aan de aan haar opgelegde verplichting heeft voldaan, en haar in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens uiterlijk op 30 januari 2006 over te leggen. Bij dit besluit heeft het College aangegeven dat, indien verzoekster het verzuim niet binnen de gestelde termijn zal hebben hersteld, de bijstand zal worden ingetrokken. Verzoekster heeft tegen het besluit van 24 januari 2006 geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het College de bijstand van verzoekster met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken, omdat zij het verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Tegen dit besluit heeft verzoekster, op 20 februari 2006, bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij een verklaring van 2 februari 2006 overgelegd, waarin de executeur van het testament haar mededeelt dat hij de brief heeft ontvangen waarin verzoekster haar legitieme deel opeist.

Bij besluit op bezwaar van 12 april 2006 heeft het College de besluiten van 5 december 2005 en 9 februari 2006 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 april 2006 ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij niet over haar legitieme deel kan beschikken, althans dat zij geacht moet worden dit deel te genieten in de vorm van het vruchtgebruik van de voormalige woning van haar vader. Verzoekster betaalt aan haar broers een niet-marktconforme huur van € 465,-- per maand. Zij krijgt daarnaast een huurtoeslag van € 200,-- per maand. Op deze wijze kan verzoekster in de woning blijven wonen, als zij tenminste een bijstandsuitkering zou blijven ontvangen. Het opeisen van haar legitieme deel in geld levert voor haar onoverkomelijke problemen op. In dat geval bestaat de reële mogelijkheid dat haar broers zich niet meer gehouden achten aan de gemaakte huurafspraken. Ongeacht de eventuele huurbescherming loopt verzoekster daardoor het risico dat zij op termijn niet meer in de woning kan blijven wonen en waarschijnlijk zelfs [woonplaats] zou moeten verlaten omdat daar geen passende, betaalbare woningen voor haar zijn. Zij heeft echter haar sociale leven in [woonplaats]. Verzoekster verzorgt de graven van haar ouders in [woonplaats]. Haar broers wonen niet in de nabijheid van [woonplaats]. Naar de mening van verzoekster is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan deze bijzondere omstandigheden. Verder is aangevoerd dat verzoekster in de veronderstelling verkeerde dat als gevolg van het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2006, de bij dat besluit aan haar opgelegde verplichting was opgeschort.

Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe, dat wordt bepaald dat aan verzoekster met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 alsnog bijstand wordt betaald.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 55 van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college van burgemeester en wethouders verplichtingen kan opleggen die strekken tot vermindering of beëindiging van bijstand. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht aan het college van burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de WWB. Daaronder valt het gevolg geven aan een op grond van artikel 55 van de WWB opgelegde verplichting.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende (anderszins) onvoldoende medewerking verleent, het college van burgemeester en wethouders het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten, vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college van burgemeester en wethouders mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt het deze uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college van burgemeester en wethouders na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat de bij het besluit van 5 december 2005 aan verzoekster opgelegde verplichting ertoe strekt de bijstand van verzoekster te verminderen dan wel te beëindigen. Het gevolg geven aan die verplichting kan er immers toe leiden dat verzoekster de beschikking krijgt over een vermogen dat groter is dan het vrij te laten eigen vermogen, zodat zij - althans gedurende een zekere tijd - niet meer in bijstandbehoevende omstandigheden zal verkeren. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar - kennelijke - standpunt dat het opleggen van de verplichting niet aan de orde kan zijn omdat, materieel, sprake zou zijn van een door haar verkregen vruchtgebruik. De huidige situatie kan daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op één lijn worden gesteld. In de door verzoekster aangevoerde omstandigheden, wat daarvan overigens zij, ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn bevoegdheid tot het opleggen van de verplichting gebruik te maken. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat het College gedwongen zou worden te handelen in strijd met (aard en opzet van) de WWB.

Het voorgaande betekent dat verzoekster de ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB op haar rustende medewerkingsverplichting niet is nagekomen.

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, nu verzoekster niet uiterlijk op 30 januari 2006 het gevraagde bewijsstuk ter zake van het opeisen van haar legitieme deel heeft overgelegd. Dat verzoekster, ten onrechte, in de veronderstelling verkeerde dat de termijn was opgeschort, maakt dit niet anders. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking (na opschorting) gebruik heeft kunnen maken.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het besluit van 12 april 2006 ongegrond is verklaard, naar verwachting in hoger beroep in stand zal blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat daarom geen grond.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) R.L. Rijnen.

EK2012