Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
04-1215 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-Schatting. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1215 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 januari 2004, 03/302 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Egbers, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2006. Na afloop van de zitting is de Raad tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft de Raad psychiater R.P. Soeters als deskundige om advies gevraagd. Na ontvangst van het rapport van deze deskundige is aan partijen gevraagd of zij toestemming geven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Appellant heeft de Raad laten weten dergelijke toestemming niet te geven. De Raad heeft vervolgens op 1 november 2006 de zaak behandeld, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Egbers. Voor het Uwv is verschenen

A.C.M. van de Pol.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 februari 2002 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 13 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het Uwv heeft het tegen het besluit van 11 februari 2002 ingediende bezwaar bij besluit van 6 januari 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft vervolgens het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft bij zijn beoordeling van het hoger beroep de volgende feiten in ogenschouw genomen.

Een collega van appellant, die als beveiligingsbeambte werkzaam was bij de Postbank, heeft op 13 februari 2002 in diens koffie chloor gedaan, waarop appellant hier een aantal slokken van heeft gedronken. Nadat appellant hiervoor in het ziekenhuis is behandeld, heeft hij van het incident geen blijvende lichamelijke klachten overgehouden. Appellant klaagt daarentegen wel over de psychische gevolgen van het chloorincident.

Het Uwv heeft appellant laten onderzoek door verzekeringsarts B. Frenay-van Maasdam en bezwaarverzekeringsarts

J.H.N. Verheijen, die voor appellant een belastbaarheidspatroon hebben vastgesteld. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie van huisarts M.B.P.L. ter Wee en het op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapport van het onderzoek door psychiater N.J. de Mooij van 26 juli 2002.

Psychiater de Mooij stelde vast dat bij appellant sprake is van een posttraumatische stressstoornis en dat hij in staat moet worden geacht om loonvormende arbeid te verrichten.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat appellant in staat moest worden geacht om arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen.

In hoger beroep is door appellant een rapport overgelegd van M.H. Oeberius Kapteijn, psychiater te Hilversum, d.d.

27 februari 2004. In dit rapport, aangevuld met brieven van 18 maart 2004 en 27 april 2004, komt deze psychiater tot de diagnose van angststoornis niet anderszins omschreven, waarbij een aanmerkelijke discrepantie tussen de ernst van het ongeval c.q. de daaraan toegeschreven stressklachten en de objectieve bevindingen wordt geconstateerd, en oordeelt dat de psychische belastbaarheid van appellant beperkt is overeenkomstig de onderdelen 28A, B, D en E van het belastbaarheidspatroon. Tevens is een brief overgelegd van 6 november 2002 van H. Voskamp, psycholoog en psychotherapeut bij de Gelderse Roos te Arnhem, die als voorlopige diagnose een aanpassingsstoornis en ongedifferentieerde somatoforme stoornis stelt.

De Raad heeft vervolgens, zoals in rubriek I vermeld, psychiater Soeters om advies gevraagd. Deze deskundige oordeelt in zijn rapport van 9 mei 2006, dat de diagnostische omschrijving van Oeberius Kapteijn, te weten angststoornis niet anderszins omschreven, van toepassing is, maar dat er geen sprake is van een specifieke angststoornis noch van een posttraumatische stressstoornis. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid.

Bij brief van 26 juni 2006 heeft Oeberius Kapteijn een nader rapport uitgebracht, naar aanleiding van informatie van de huisarts van appellant en na nader onderzoek van appellant, waaruit blijkt dat appellant in zijn jeugd mishandeld is door een aan alcohol verslaafde vader. Oeberius Kapteijn is van oordeel dat de gegevens over appellants jeugd een ander licht op appellants klachten werpen. Hij komt tot de diagnose van gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en een GAF-score van 50.

Tevens heeft appellant commentaar van zijn medisch adviseur R.I. Teulings op het rapport van de deskundige Soeters aan de Raad overlegd.

De Raad heeft deskundige Soeters gevraagd hierop te reageren. De deskundige heeft dit gedaan in zijn rapport van

11 augustus 2006, waarin hij uitgebreid ingaat op de ingebrachte informatie en argumenten van respectievelijk Oeberius Kapteijn en de medisch adviseur. Soeters blijft bij zijn standpunt dat rekening is gehouden met de beperkingen van appellant die voortvloeien uit de situatie rond de in geding zijnde datum.

De Raad overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie pleegt de Raad de door hem ingeschakelde deskundige te volgen, tenzij is gebleken dat de deskundige de tegen zijn rapport ingebrachte bezwaren onvoldoende heeft overwogen en weerlegd.

Uit het rapport van deskundige Soeters van 11 augustus 2006 blijkt van de door de Raad bedoelde heroverweging en de Raad is van oordeel dat de door en namens appellant ingebrachte bezwaren voldoende diepgaand zijn besproken, zodat de Raad de door hem ingeschakelde deskundige zal volgen.

Ook de door appellant ter zitting ingebrachte kritiek op het rapport van Soeters heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat appellants beperkingen adequaat zijn vastgelegd.

De Raad kan voorts het oordeel van de rechtbank volgen, dat de voor appellant geduide functies, waarbij rekening is gehouden met de beperking van werken met gevaarlijke machines of werkzaamheden als chauffeur, in overeenstemming zijn met de voor hem vastgestelde beperkingen.

De aangevallen uitspraak kan derhalve in stand blijven.

De Raad ziet geen aanleiding over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) M.C.T. M. Sonderegger.