Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
04-2329 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Zijn arbeid, na WAO-schatting. Een van de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2329 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2004, 03/2204 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 20 maart 2006 de psychiater dr. M. Kazemier als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Kazemier heeft onder dagtekening 11 juli 2006 van dat onderzoek verslag uitgebracht.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als technisch directeur in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats], toen hij zich op 15 maart 2000 met rugklachten en psychische klachten ziek meldde. Na de voorgeschreven wachttijd van 52 weken kende het Uwv hem met ingang van 14 maart 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Aan dit besluit lag de overweging ten grondslag dat appellant niet meer in staat was zijn eigen werk te verrichten, maar nog wel gangbare arbeid kon verrichten, waarmee hij ongeveer 49% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. De door de arbeidsdeskundige in dit verband geselecteerde functies zijn onder meer de functies van graafmachinist, technisch vertegenwoordiger en pakhuis-, magazijn- en expeditieknecht.

Appellant heeft zich met ingang van 3 februari 2003 ziek gemeld met klachten van overspanning. Hij is op 12 maart 2003 op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien, die hem op dat moment in dezelfde mate belastbaar achtte als ten tijde van de ingangsdatum van zijn WAO-uitkering en dus niet ongeschikt tot het verrichten van (tenminste één van) de geselecteerde functies. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 12 maart 2003 beslist dat appellant met ingang van 13 maart 2003 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij zijn partner is kwijtgeraakt tengevolge van een noodlottig ongeval, en dat hij reeds jaren in verband daarmee verwikkeld is in opeenvolgende schadevergoedingsprocedures. Appellant is van mening dat de onzekerheid en de financiële problemen die deze omstandigheden met zich brengen maken dat hij niet in staat is te solliciteren naar de destijds in het kader van zijn WAO-uitkering geselecteerde functies, die hij overigens ook beneden zijn niveau vindt.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

Kazemier heeft in zijn rapport van 11 juli 2006 aangegeven dat er bij appellant op 13 maart 2003 sprake was van een depressief toestandsbeeld, maar dat dat geen doorslaggevend argument kan vormen waarom appellant niet in staat zou zijn de in het kader van de WAO geselecteerde functies te vervullen. Verder heeft hij aangegeven dat het gaan vervullen van zo’n functie een verdieping van het depressieve beeld tot gevolg zou kunnen hebben, waarbij hij verder overweegt dat een zekere waardering van het niveau van vaardigheden van appellant van evident belang lijkt om zijn depressiviteit niet te accentueren. Volgens Kazemier dient ook rekening te worden gehouden met de beschikbare energie en lijkt er een argument voor urenbeperking, geldend voor alle geselecteerde functies.

In een reactie op dit rapport heeft een bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat Kazemier niet tot een andere diagnose is gekomen en dat er ten tijde van de datum in geding sprake was van een matig ernstige depressie met chronische kenmerken. De bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat in het kader van een ziektewetbeoordeling geen uitspraak behoeft te worden gedaan over “mogelijke” ontwikkelingen in de toekomst en verder gemotiveerd aangegeven waarom er zijns inziens geen sprake kan zijn van een urenbeperking.

Desgevraagd heeft Kazemier gereageerd op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts en aangegeven dat hij nog achter zijn antwoord staat dat de bij appellant bestaande psychopathologie geen doorslaggevend argument geeft voor het niet in staat zijn tot de uitoefening van de in het kader van de WAO geselecteerde functies. Hij heeft verder aangegeven dat als dat de enige relevante beantwoording van de vraag is, verdere beschouwingen achterwege kunnen blijven. Hij heeft verduidelijkt dat zijn prognostische bedenkingen de mogelijkheid van duurzame arbeid betreffen. Het lijkt Kazemier dat de prognose voor duurzame arbeid beter zal zijn als rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van appellant, met name op gebied van elektrotechniek, dan wanneer alleen rekening wordt gehouden met zijn beperkingen. Kazemier heeft verder aangegeven dat zijn opmerkingen in feite meer gericht zijn op arbeidsre-integratie en dat de voorgestelde urenbeperking lag in het kader van een indirect preventief aspect.

Met de bezwaarverzekeringsarts moet de Raad vaststellen dat bij beantwoording van de vraag of een verzekerde niet ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid in de zin van de ZW slechts van belang is of geen zodanige uit ziekte of gebrek voortkomende beperkingen aanwezig zijn, dat die maken dat een verzekerde ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid in de zin van de ZW. De vraag of een verzekerde die arbeid ook duurzaam zal kunnen verrichten is daarbij niet van belang. Slechts indien in voldoende mate vaststaat dat hervatting van die arbeid tot schade van de gezondheid zal zijn, is eveneens sprake van ongeschiktheid voor die arbeid. In het geval van appellant is door Kazemier slechts een verwachting uitgesproken dat appellant bij hervatting in één van de geselecteerde functies mogelijk meer depressief zou raken. De Raad is van oordeel dat op grond van het advies van Kazemier niet vaststaat dat hervatting van werk tot schade van gezondheid van appellant zal leiden, waarbij tevens voor ogen moet worden gehouden dat de geselecteerde functies slechts voorbeeldfuncties zijn van werk dat appellant zou kunnen doen. Gelet met name op de nadere reactie van Kazemier heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad op goede gronden aangenomen dat appellant op 13 maart 2003 niet ongeschikt was tot het verrichten van arbeid in de zin van de ZW.

Het hoger beroep slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.