Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
04-6410 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering na einde wachttijd. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan niet worden geconcludeerd dat betrokkene op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was haar eigen werk als secretaresse te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6410 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 oktober 2004, 03/2565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 10 oktober 2006, waarbij partijen met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 2 oktober 2001 met chronische pijnklachten in het gehele bewegings-apparaat uitgevallen voor haar werk als secretaresse gedurende vier dagen per week. Naar aanleiding van het verzoek van appellante haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen heeft de verzekeringsarts Y.R. Bosma appellante op 3 september 2002 onderzocht. Appellante deelde tijdens dit onderzoek mede dat de behandelend reumatoloog had vastgesteld dat zij acuut ontstane fybromyalgie had en dat neurologisch onderzoek geen aantoonbare afwijkingen opleverde. Op verzoek van de verzekeringsarts heeft “De Gezonde Zaak” te Utrecht in oktober 2002 verslag uitgebracht van een multidisciplinair onderzoek. Vervolgens is op 10 december 2002 een expertiseverslag uitgebracht door de door het Uwv geraadpleegde psychiater-psychoanalyticus B. Oskam te Bennekom. Blijkens haar op 6 maart 2003 uitgeprinte rapport is de verzekeringsarts, mede op basis van beide evenbedoelde onderzoeken, tot de conclusie gekomen dat op lichamelijk en geestelijk gebied geen medisch objectiveerbare stoornis, ziekte of gebrek kan worden aangetoond. Zij achtte appellante daarom niet arbeidsongeschikt voor haar eigen functie als secretaresse. Bij besluit van 10 februari 2003 weigerde het Uwv appellante met ingang van 1 oktober 2002 een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij de wachttijd van 52 weken niet had volgemaakt. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gezien het Uwv niet te volgen in zijn standpunt dat er bij appellante geen sprake is van op medische gronden naar objectieve maatstaven vast te stellen ziekte of gebrek. De rechtbank heeft, in het voetspoor van Oskam in diens brief van 2 maart 2004, overwogen dat de rapportage van 6 oktober 2003 van de door appellante in beroep ingeschakelde zenuwarts dr. H.L.M. Busard niet ziet op de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum en dat ook overigens die rapportage niet voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat zich niet het in de jurisprudentie van deze Raad bedoelde bijzondere geval voordoet dat aan de eis van medische objectivering is voldaan ondanks dat niet geheel duidelijk is aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. Volgens de rechtbank is namelijk niet voldaan aan het in dat geval geldende criterium dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet de in aanmerking komende arbeid kan verrichten.

De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad heeft evenmin als de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp in zijn rapport van 7 augustus 2003 op grond van ontoereikende verzekeringsgeneeskundige motieven het standpunt van de verzekeringsarts heeft onderschreven. Blijkens zijn rapportage had Waasdorp bij het beoordelen van de gezondheidstoestand van appellante kennis van de brief van 10 december 2002 van de door appellante geraadpleegde reumatologe Y. Schenk, die geen feitelijke stoornissen heeft vastgesteld. Ook overigens deelt de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust.

In hoger beroep heeft appellante bij brief van 24 januari 2005 nog een commentaar van Busard op de aangevallen uitspraak overgelegd alsmede een brief van Busard van 22 april 2005. De Raad acht de opvatting van Busard met de rapporten van 16 februari 2005 en 27 mei 2005 van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie voldoende weersproken. De Raad kan tot geen ander oordeel komen dan dat op grond van de beschikbare medische gegevens niet kan worden geconcludeerd dat appellante op 1 oktober 2002 op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was haar eigen werk als secretaresse te verrichten.

Het hoger beroep van appellante slaagt daarom niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) P.H. Broier.

MH