Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
04-5938 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5938 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 september 2004, 04/52 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 6 maart 2005 en 7 november 2006 heeft appellant zijn standpunt toegelicht en stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006. Appellant, die zulks in zijn brief van 7 november 2006 had aangekondigd, is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 2 december 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv appellants bezwaar tegen een besluit van

20 januari 2003 gegrond verklaard en appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 20 maart 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig weergegeven op welke medische en arbeidskundige overwegingen het oordeel van de rechtbank berust.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts A.R. Hellekamp onvoldoende objectief ten opzichte van appellant zou zijn geweest, hetgeen zou blijken uit de inhoud van een bij beroepschrift overgelegd afschrift van een email van Hellekamp aan G.A. Heerema.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat door de indicatiecommissie van het WSW-werkverband, waarbij hij werkzaam is, een maximale belastbaarheid van 20 uur per week is vastgesteld.

Ten slotte voert appellant aan dat hij vanaf 6 augustus 2003, ruim 4 maanden na de datum in geding, weer een uitkering ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ontvangt.

De Raad oordeelt als volgt.

In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de aangevallen uitspraak.

Met betrekking tot het beweerde gebrek aan objectiviteit van de verzekeringsarts Hellekamp overweegt de Raad dat het overgelegde afschrift wat betreft de opmaak en indeling niet spoort met de gebruikelijke opmaak van emailberichten, terwijl ook het tijdstip van verzending niet wordt vermeld. Ter zitting heeft mr. Oosterbos desgevraagd erkend dat emailberichten bij het Uwv niet op een dergelijke wijze worden verzonden. Ook de naam Heerema is de gemachtigde van het Uwv niet bekend.

Onder deze omstandigheden kan de Raad aan dit stuk niet die betekenis toekennen die appellant daaraan kennelijk gehecht wenst te zien.

De rapportage van de verzekeringsarts Hellekamp van 18 oktober 2002 is opgesteld naar aanleiding van een spreekuuronderzoek dat een uur heeft geduurd. In die rapportage heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het door appellant beweerde gebrek aan objectiviteit. Genoemde rapportage is in bezwaar uitvoerig getoetst door de bezwaarverzekeringsarts P.F. Klein Obbink, die in zijn rapport van 8 september 2003 uitvoerig gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij zich met het oordeel van Hellekamp kan verenigen.

De Raad is van oordeel dat appellants belastbaarheid op de datum die thans in geding is, 20 maart 2003, door het Uwv niet is overschat.

Wat betreft de grief dat een WSW-commissie wel een urenbeperking heeft vastgesteld oordeelt de Raad niet anders dan de rechtbank. Het Uwv heeft bij de uitvoering van de WAO rekening te houden met het arbeidsongeschiktheidsbegrip zoals dat in de regelgeving en de jurisprudentie van de Raad is neergelegd.

Wat betreft de grief dat appellant na slechts enige maanden weer een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is gaan ontvangen, overweegt de Raad dat uit de gedingstukken blijkt:

- dat appellant op één dag per week een forensisch psychiatrische begeleiding is gaan volgen;

- dat de verzekeringsarts daarin aanleiding heeft gevonden om een medische urenbeperking tot 32 uur per week op te leggen;

- dat de arbeidsdeskundige vervolgens geen functies heeft kunnen selecteren die aan die beperking voldoen.

De herziening van de uitkering heeft dan ook niet vanwege een wijziging van appellants gezondheidstoestand maar op arbeidskundige gronden plaatsgevonden, zoals uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards van

1 november 2004 blijkt.

Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de aangevallen uitspraak niet juist zou zijn. Die uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.