Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
04-4705 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4705 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juli 2004, 03/1655 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.W.C. Lipman, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. van Haaften.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 13 oktober 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 17 april 2003, waarbij het Uwv heeft besloten appellant met ingang van 10 april 2003 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, aangezien appellant naar het oordeel van het Uwv voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig uiteengezet waarom de rechtbank zich met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant kan verenigen.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de pijnklachten van appellant.

In het verweerschrift in hoger beroep is uiteengezet waarom het Uwv van oordeel is dat met genoemde pijnklachten voldoende rekening is gehouden.

De Raad oordeelt als volgt.

In hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om anders te oordelen over het bestreden besluit dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

Zowel uit de aangevallen uitspraak als uit het verweerschrift in hoger beroep blijkt dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij hun oordeelsvorming beschikten over informatie met betrekking tot de behandelingen die appellant in verband met rugpijn heeft ondergaan en daarmee rekening hebben gehouden.

De Raad is niet gebleken dat appellants behandelaars wat betreft appellants belastbaarheid met arbeid blijk hebben gegeven daarover een ander oordeel te hebben dan het Uwv en de rechtbank. Ook de in het beroepschrift vermelde

dr. L.P. Bos heeft zich over die belastbaarheid niet uitgelaten, zoals uit zijn brief van 20 november 2003 blijkt.

Ook overigens bestaat in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, waarbij de Raad mede in aanmerking heeft genomen de inhoud van de brief van het Uwv van 9 november 2006 met bijlagen.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.