Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
18-12-2006
Zaaknummer
05-1278 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening mate van arbeidsongeschiktheid naar 15 tot 25%. In beroepsfase voldoende gemotiveerde onderbouwing voor de passende functies. Grieven zijn in hoger beroep gemotiveerd weerlegd. Bevestiging uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05 / 1278 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van rechtbank Maastricht van 24 januari 2005, 04/881 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn de gronden nog nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2006. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.T. Laaracker.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1955, was sedert 8 mei 1992 in het genot van een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 8 januari 2004 is appellant door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht. Naar aanleiding van dat onderzoek is een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Aan de hand van die FML, en naar aanleiding van een gesprek met appellant op 30 januari 2004, heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bepaald. Dat leidde tot een besluit van 2 februari 2004 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 31 maart 2004 werd herzien naar 15 tot 25%.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv de FML aangepast en nog enige beperkingen toegevoegd. Dit heeft echter niet geleid tot een afwijking van het eerder ingenomen standpunt, aangezien op basis van de aangepaste FML het verlies aan verdienvermogen werd vastgesteld op 22,72%. Bij het thans bestreden besluit van 28 mei 2004 zijn de bezwaren van appellant dan ook ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft ten aanzien van dat beroep overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft daarbij gebruik gemaakt van de informatie die is ontvangen van de huisarts en de verschillende behandelende specialisten, waaronder een orthopedisch chirurg. Uit die informatie bleek dat er sprake was van een niet afwijkende mening van die behandelaars ten aanzien van de voor appellant aangenomen beperkingen. De rechtbank volgde appellant dan ook niet in diens stelling dat de beperkingen niet zorgvuldig waren vastgesteld. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN AR4718) inzake de toepassing van het zogenoemde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem heeft de rechtbank overwogen dat, nu het Uwv eerst in de beroepsfase een voldoende gemotiveerde onderbouwing heeft gegeven voor de passendheid van de aan appellant geduide functie van medewerker onderhoudsplanning, het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar de rechtbank heeft daarbij tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen worden gelaten. Daarbij heeft de rechtbank voorts een aantal vergoedingen toegewezen.

De stellingen van appellant in hoger beroep vormen in wezen een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Appellant benadrukt dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld en wijst daarvoor onder meer op de visies van zijn huisarts en de betrokken sociaal verpleegkundige. Appellant stelt onder meer dat er een forse toename is van de depressieve klachten en dat zijn psychische belastbaarheid beperkter is dan door het Uwv wordt verondersteld.

De Raad overweegt als volgt.

De stellingen van appellant in hoger beroep komen er op neer dat de beperkingen van appellant onvoldoende zorgvuldig en onjuist zijn vastgesteld. Met de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat het Uwv kan worden gevolgd in de vaststelling van de belastbaarheid van appellant. Appellant is onderzocht tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts op 1 juli 2003. Met toestemming van appellant is informatie ingewonnen bij diens huisartsen, terwijl aan het Uwv uitgebreide informatie is verstrekt door de behandelende specialisten. Tevens heeft het Uwv kennis genomen van de visie van de begeleidend sociaal verpleegkundige. Het Uwv heeft voorts gemotiveerd de grieven van appellant weerlegd. Gelet op het late moment waarop namens appellant de stellingen met betrekking tot de toename van de psychische klachten, de sinusitus, de atopische rhinitis, de luchtwegproblemen en de vermoeidheidsklachten zijn ingebracht, heeft het Uwv daarop niet eerder dan ter zitting van de Raad kunnen reageren. Met deze reactie heeft het Uwv voldoende overtuigend aangegeven waarom deze klachten niet tot een bijstelling van de FML kunnen leiden. Tenslotte wijst de Raad er op dat het tot de deskundigheid van een verzekeringsarts behoort om de mogelijkheden ten aanzien van de belastbaarheid voor arbeid vast te stellen, hetgeen een andere beoordeling vergt dan hetgeen een behandelend medicus met het oog op consolidatie, herstel of verbetering van de gezondheidstoestand in overweging zal nemen. Nu er ook overigens geen aanleiding is om te concluderen dat de aan appellant voorgehouden functies niet door hem zouden kunnen worden vervuld, heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 mei 2004 in stand gelaten.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

MR