Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
05-4355 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en voor de kosten van griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4355 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 mei 2005, 04/973 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.M. Heuveling, juridisch adviseur te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 17 oktober 2005 heeft mr. B. Korvemaker, advocaat te Leeuwarden, zich als gemachtigde van appellante gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006. Voor appellante is verschenen J. Wiersma. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Caron, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

Op 16 juni 2003 heeft appellante, onder verwijzing naar nota's van 13 februari 2003, 24 februari 2003, 25 maart 2003 en 10 april 2003 ten bedrage van respectievelijk € 109,--, € 29,--, € 18,30 en € 95,--, een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en voor de kosten van griffierecht.

Bij besluit van 3 september 2003, voor zover van belang, heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat de aanvraag te laat is ingediend.

Bij besluit van 24 juni 2004, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2003 ongegrond verklaard. Aan de afwijzing van de aanvraag voor zover die betrekking heeft op de nota's van 24 februari 2003 en 25 maart 2003, heeft het College alsnog ten grondslag gelegd dat de draagkracht van appellante meer bedraagt dan de kosten die zij heeft gemaakt. Het College heeft daarbij draagkracht berekend over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004, de hoogte van de draagkracht vastgesteld op € 866,48 en bepaald dat voor de kosten als onderhavige 100% van de draagkracht in aanmerking dient te worden genomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 juni 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De afwijzing van de aanvraag voor zover deze ziet op de nota's van 13 februari 2003 en 10 april 2003

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van artikel 67 van de Abw wordt in beginsel geen (algemene of bijzondere) bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Het College heeft aangegeven dat, in afwijking van de hoofdregel dat een aanvraag om bijzondere bijstand behoort te worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt, vanaf 1 september 2002 het beleid geldt dat de aanvraag ook nog tijdig is ingediend indien bijstand wordt aangevraagd binnen twee maanden nadat de kosten zijn gemaakt en de noodzaak van de kosten nog kan worden vastgesteld. Het College heeft voorts aangegeven dat vóór 1 september 2002 het beleid gold dat de kosten die beneden de € 90,76 blijven, achteraf kunnen worden gedeclareerd tot uiterlijk 1 april van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt en dat dit oude beleid op grond van overgangsrecht nog kan worden toegepast gedurende de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003. Het College heeft de aanvraag van appellante getoetst aan dit beleid en de aanvraag, voor zover deze ziet op de nota's van 13 februari 2003 en 10 april 2003, afgewezen op de grond dat de aanvraag te laat is ingediend.

De Raad is van oordeel dat, voor zover het door het College gevoerde beleid inhoudt dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend in andere gevallen dan waarin zulks door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd, dit beleid dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. De Raad moet, hiervan uitgaande, vaststellen dat de afwijzing van de aanvraag, voor zover deze ziet op de de nota's van 13 februari 2003 en 10 april 2003, in overeenstemming is met het door het College gevoerde beleid.

Ter zitting is namens appellante aangevoerd dat het College een gedragslijn heeft gevolgd die afwijkt van het hiervoor omschreven beleid. De gemachtigde van het College heeft dit ontkend. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat het College een van het beleid afwijkende gedragslijn heeft gevolgd.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend.

De afwijzing van de aanvraag voor zover deze ziet op de nota's van 24 februari 2003 en 25 maart 2003

In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Abw nemen burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing het in aanmerking te nemen vermogen alsmede het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de de bijstandsnorm als bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3. Artikel 40, tweede lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders de duur bepalen van de periode waarover de draagkracht in aanmerking wordt genomen alsmede het tijdstip waarop deze periode begint.

Het College heeft de aanvraag voor zover die betrekking heeft op de nota's van 24 februari 2003 en 25 maart 2003, bij het primaire besluit van 3 september 2003 afgewezen op de grond dat de aanvraag te laat is ingediend. Bij het besluit op bezwaar van 24 juni 2006 heeft het College aan de afwijzing alsnog ten grondslag gelegd dat de draagkracht van appellante meer bedraagt dan de kosten die zij heeft gemaakt. Appellante heeft aangevoerd dat het College niet vrijstond om bij besluit op bezwaar de aanvraag op een andere grond af te wijzen dan het bij het primaire besluit heeft gedaan. De Raad kan appellante hierin niet volgen. Hij heeft reeds vaker tot uitdrukking gebracht dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet in de weg staat aan de handhaving in bezwaar van het afwijzen van een aanvraag om bijstand op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging (zie onder meer de uitspraak van 7 juli 1998, gepubliceerd in USZ 1998/217).

Het College heeft bij de berekening van de draagkracht de voor appellante geldende bijstandsnorm over maart 2003 tot en met augustus 2003 vastgesteld op die voor een alleenstaande verhoogd met een toeslag van 5% van het netto-minimumloon. Appellante heeft aangevoerd dat zij hulpbehoevend is en dat de toeslag daarom gedurende die periode op 20% van het netto-minimumloon dient te worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de op de Abw gebaseerde Algemene Bijstandsverordening van de gemeente Leeuwarden, heeft de alleenstaande of de alleenstaande ouder recht op een toeslag van 20% van het netto-minimumloon indien de belanghebbende hulpbehoevend is. Op grond van artikel 1, aanhef en onder m, van de Algemene Bijstandsverordening wordt onder hulpbehoevende verstaan degene die, indien hij niet tezamen met een ander de woning zou bewonen, zou zijn aangewezen op intensieve beroepsmatige hulp.

Appellante heeft niet met medische bescheiden - zoals de verklaring van een arts - onderbouwd of anderszins aangetoond dat zij hulpbehoevend is in de zin van de Algemene Bijstandsverordening. Ook overigens bieden de gedingstukken daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

Slotoverweging

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) L.M. Reijnierse.

BKH 281106